Wet van 18 juni 1918, tot ontginning van steenzout bij Buurse

Wet tot ontginning van steenzout bij Buurse

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is tot ontginning van zoutlagen bij Buurse (gemeente Haaksbergen) over te gaan en daartoe eene overeenkomst te sluiten;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Aan den Staat wordt, als ware voor de ontginning van zoutlagen volgens de wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285) concessie verleend, de eigendom toegekend van de zoutmijn in het terrein der provincie Overijssel, groot 3030 H.A., dat op de bij deze wet behoorende kaart door eene roode grenslijn is aangeduid.

Dit terrein wordt begrensd als volgt:

ten Zuiden:

van punt A, Rijksgrenspaal 834, volgend de grensscheiding tusschen Nederland en Pruissen, naar punt B, Rijksgrenssteen 19;

ten Oosten:

van punt B, de grensscheiding tusschen Nederland en Pruissen volgend naar punt C, Rijksgrenssteen 32;

ten Noorden:

van punt C in rechte lijn naar punt D, snijpunt van de as van de Schuine brug in den kunstweg van Haaksbergen naar Enschede, met de as van de Bruninkbeek, ter plaatse ook wel genaamd de Nieuwe beek;

van punt D de as van evengenoemden kunstweg volgend naar punt E, snijpunt van de as van meergenoemden kunstweg met de as van den weg, welke loopt van Rutbekerveld over de Heegdebeek naar de Schip- of Buurserbeek;

ten Westen:

van punt E, de as van laatstgenoemden weg volgend naar punt F, snijpunt van de as van de Rietbrug in dezen weg met de as van de Schip- of Buurserbeek;

van punt F in rechte lijn naar het uitgangspunt A.

Artikel

II

Onze Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel wordt gemachtigd het recht op ontginning van de in artikel I bedoelde zoutlagen over te dragen aan de op te richten Naamlooze Vennootschap "Nederlandsche Zoutindustrie" voor den termijn en op de voorwaarden vervat in de bij deze wet behoorende ontwerp-overeenkomst.

Artikel

III

Artikel

IV

De wetten van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285), van 27 April 1904 (Staatsblad n°. 73), gewijzigd bij de wet van 29 Juni 1912 (Staatsblad n°. 202) en bij de wet van 16 December 1916 (Staatsblad n°. 552), en van 6 Maart 1915 (Staatsblad n°. 141) zijn op de in deze wet bedoelde ontginning van toepassing, de eerstgenoemde wet (van 1810) voor zoover daarvan niet bij deze wet wordt afgeweken, de in de tweede plaats genoemde wet (van 1904) met uitzondering van de artikelen 1-8.

Artikel

V

Binnen den afstand van 300 Meter van de Rijksgrens zullen geen boringen worden gedaan, noch pompboorgaten worden geslagen.

Artikel

VI

Artikel

VII

Artikel

VIII

Artikel

IX

Artikel

X

Artikel

XI

Artikel

XII

Artikel

XIII

De Hoofdingenieur der Mijnen kan ten aanzien van de uitvoering van het bij de vorige artikelen bepaalde nadere voorschriften geven.

Artikel

XIV

De beoordeeling of aan de in de vorige artikelen gestelde eischen is voldaan staat aan den Hoofdingenieur der Mijnen.

Artikel

XV

Van beslissingen en voorschriften van den Hoofdingenieur der Mijnen krachtens bepalingen dezer wet, staat beroep op den Minister open.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
WILHELMINA.
De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, POSTHUMA.
De Minister van Justitie, B. ORT.