Wet van 21 december 1951, houdende voorzieningen betreffende het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen

Pleegkinderenwet

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen met betrekking tot het toezicht op de verzorging en opvoeding van pleegkinderen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

  • 1.

    pleegkind: een door aspirant-adoptiefouders opgenomen buitenlands kind als bedoeld in artikel 1 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Stb. 1988, 566), dan wel een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen:

    • a.

      een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd;

    • b.

      een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen;

    • c.

      een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke door Ons van het toezicht ingevolge de bepalingen van deze wet is vrijgesteld, dan wel behoort tot een groep van inrichtingen, die door Ons, de Raad van State gehoord, van dit toezicht is vrijgesteld;

  • 2.

    ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming: de directeur, een plaatsvervangend directeur of een door de directeur aangewezen ambtenaar van de raad voor de kinderbescherming.

Artikel

2

Voor de toepassing van deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften worden onder hoofd van een inrichting begrepen bestuurders, ondernemers en beheerders van een inrichting.

Artikel

3

De verplichtingen, voortvloeiende uit deze wet en de tot haar uitvoering gegeven voorschriften, voor zover niet aan anderen opgedragen, rusten op degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen, dan wel op het hoofd van een inrichting, waarin een of meer pleegkinderen worden verzorgd en opgevoed, en bij ontstentenis of afwezigheid van dit hoofd op degene die de feitelijke leiding in de inrichting uitoefent.

Artikel

4

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld betreffende de voorwaarden, waaraan de verzorging en opvoeding van een pleegkind moet voldoen, alsmede betreffende de uitoefening van het toezicht op de verzorging en opvoeding.

Aanmelding en toezicht

Artikel

5

Artikel

6

Elke kennisgeving krachtens het voorgaande artikel gedaan, wordt door burgemeester en wethouders onverwijld doorgezonden aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De toezichthouder is bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat aldaar een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed.

Artikel

10

Indien gebleken is, dat het belang van een pleegkind zulks bepaaldelijk vordert, kan de raad voor de kinderbescherming besluiten, dat het niet langer in het gezin of de inrichting, waarin het wordt verzorgd en opgevoed, zal mogen verblijven.

Artikel

11

Indien gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een of meer pleegkinderen bestaat, tengevolge van ernstige nalatigheid in de naleving van de bepalingen dezer wet of de tot haar uitvoering gegeven voorschriften, dan wel tengevolge van de omstandigheid, dat het gezin of de inrichting niet of niet langer voldoet aan de ter uitvoering van deze wet gegeven voorschriften, kan de raad voor de kinderbescherming besluiten, dat in het gezin of de inrichting geen pleegkinderen mogen worden verzorgd en opgevoed.

Artikel

12

Artikel

13

Degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen gezamenlijk of het hoofd van de inrichting waar het pleegkind verblijft kunnen, op grond van gewijzigde omstandigheden, ingetreden nadat een besluit, bedoeld in de artikelen 10, 11 of 12, tweede lid, onherroepelijk is geworden, aan de raad voor de kinderbescherming verzoeken zijn besluit in te trekken.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

De in het vorige artikel bedoelde beslissing wordt niet gegeven, dan nadat ook de minderjarige van twaalf jaren of ouder gehoord of behoorlijk opgeroepen is, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van het kind niet mogelijk is. De rechter bepaalt de wijze waarop de minderjarige wordt opgeroepen, alsmede de wijze waarop en de plaats waar het verhoor kan geschieden. Artikel 802 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

18

De raad voor de kinderbescherming is bevoegd om bij de uitoefening van zijn taak krachtens deze wet opdrachten te geven aan organen en personen, die werkzaam zijn op het gebied der kinderbescherming, der volksgezondheid of dergelijk gebied, en bereid zijn bij de uitvoering van deze wet medewerking te verlenen.

Strafbepalingen

Artikel

19

Het is verboden een pleegkind in een gezin of inrichting te verzorgen en op te voeden in strijd met een van kracht geworden besluit van de raad voor de kinderbescherming, genomen op grond van de artikelen 10, 11 of 12, tweede lid.

Artikel

20

Artikel

21

De in deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel

22

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

23

Een schriftelijke kennisgeving aan burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 5, betreffende pleegkinderen, die in gezinnen of inrichtingen worden verzorgd en opgevoed ten tijde van het in werking treden van deze wet, moet worden gedaan binnen drie maanden na dit in werking treden.

Artikel

24

Met de uitvoering van deze wet is belast Onze Minister van Justitie.

Artikel

25

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Artikel

26

Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Pleegkinderenwet".

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Justitie, H. MULDERIJE.
De Minister van Sociale Zaken, A. M. JOEKES.
De Minister van Binnenlandse Zaken, BEEL.
De Minister van Justitie, H. MULDERIJE.