Besluit van 25 juli 1964, tot uitvoering van artikel 16 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962

Residubesluit

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 22 juni 1964, Directie Volksgezondheid, Hoofdafd. Gezondheidsbescherming, Afd. V.A., no. 90750 en van Onze Minister van Landbouw en Visserij;
Gezien het advies van Bestrijdingsmiddelencommissie van 23 maart 1964, no. 86873;
De Raad van State gehoord (advies van 8 juli 1964, No. 60);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken Volksgezondheid van 23 juli 1964, Directie Volksgezondheid, Hoofdafdeling Gezondheidsbescherming, Afdeling V.A., No. 94684 en van Onze Minister van Landbouw en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

De in artikel 16 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bedoelde hoeveelheid bedraagt voor een bestrijdingsmiddel, door Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en Onze Minister van Landbouw en Visserij bij regeling aangewezen, met betrekking tot een of meer daarbij aangewezen eet- of drinkwaren de uit het oogpunt van goed landbouwkundig gebruik en van volksgezondheid aanvaardbare hoeveelheid, bij die regeling vast te stellen.

Artikel

2

Dit besluit kan worden aangehaald als: Residubesluit.

Onze Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Landbouw en Visserij zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Porto Ercole
JULIANA.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, G. M. J. VELDKAMP.
De Minister van Landbouw en Visserij, B. W. BIESHEUVEL.
De Minister van Justitie, Y. SCHOLTEN.