Wet van 28 januari 1971, houdende nieuwe regelen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming door middel van ondernemingsraden

Wet op de ondernemingsraden

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe regelen te stellen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming door middel van ondernemingsraden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Hoofdstuk

II

De instelling van ondernemingsraden

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

5a

Hoofdstuk

III

Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden

Artikel

6

Artikel

7

De ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering een plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

De ondernemingsraad stelt in zijn reglement nadere regelen betreffende de kandidaatstelling, de inrichting van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag daarvan, alsmede betreffende de vervulling van tussentijdse vacatures in de ondernemingsraad.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Vervallen

Artikel

20

Artikel

21

De ondernemer draagt er zorg voor, dat de in de onderneming werkzame personen die staan of gestaan hebben op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9, alsmede de leden en de gewezen leden van de ondernemingsraad en van de commissies van die raad niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of van hun lidmaatschap van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad worden benadeeld in hun positie in de onderneming. Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd is de eerste volzin op die secretaris van overeenkomstige toepassing. Op degene die het initiatief neemt of heeft genomen tot het instellen van een ondernemingsraad is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing. De ondernemingsraad, alsmede iedere in de onderneming werkzame persoon als in de eerste tot en met derde volzin bedoeld, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan hetgeen in de eerste tot en met derde volzin is bepaald. Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling in de onderneming werkzaam zijn, treedt een andere kamer van de rechtbank in de plaats van de kantonrechter.

Artikel

22

Artikel

22a

In rechtsgedingen tussen de ondernemer en de ondernemingsraad kan de ondernemingsraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.

Hoofdstuk

IV

Het overleg met de ondernemingsraad

Artikel

23

Artikel

23a

Artikel

23b

Artikel

23c

Indien de ondernemingsraad aan een onderdeelcommissie de bevoegdheid heeft toegekend tot het plegen van overleg met degene die de leiding heeft van het betrokken onderdeel, zijn ten aanzien van dat overleg de artikelen 17, 22, 23, 23a, tweede, vierde en zesde lid, 23b, 24, eerste lid, 25, 27, 28, 31a, eerste, zesde en zevende lid, 31b en 31c van overeenkomstige toepassing. In dit overleg kunnen geen aangelegenheden worden behandeld die in het overleg met de ondernemingsraad worden behandeld.

Artikel

24

Hoofdstuk

IVA

Bijzondere bevoegdheden van de ondernemingsraad

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

De ondernemingsraad heeft het recht, al dan niet uit zijn midden, een door de ondernemer te bepalen aantal, maar ten minste de helft, te benoemen van de bestuursleden van door de ondernemer ten behoeve van in de onderneming werkzame personen opgerichte instellingen, behoudens voor zover bij of krachtens de wet op andere wijze in het bestuur van een instelling is voorzien.

Artikel

30

Hoofdstuk

IVB

Het verstrekken van gegevens aan de ondernemingsraad

Artikel

31

Artikel

31a

Artikel

31b

Artikel

31c

De ondernemer doet aan de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk mededeling van zijn voornemen tot het verstrekken van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming, met betrekking tot een aangelegenheid als bedoeld in artikel 27.

Artikel

31d

Artikel

31f

De ondernemer is verplicht de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk schriftelijk te informeren over elke voorgenomen vaststelling, wijziging of intrekking van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of een uitvoeringsreglement als bedoeld in onderdeel b van de definitie van uitvoeringsreglement in artikel 1 van de Pensioenwet.

Hoofdstuk

IVC

Verdere bevoegdheden van de ondernemingsraad

Artikel

32

Artikel

32a

Vervallen

Artikel

32b

Vervallen

Artikel

32c

Vervallen

Hoofdstuk

V

De centrale ondernemingsraden en de groepsondernemingsraden

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Hoofdstuk

VA

De medezeggenschap in kleine ondernemingen

Artikel

35a

Vervallen

Artikel

35b

Artikel

35c

Artikel

35d

Hoofdstuk

VI

De algemene geschillenregeling

Artikel

36

Artikel

36a

Iedere in de onderneming werkzame persoon, met uitzondering van een persoon als bedoeld in artikel 35b, achtste lid, alsmede een vereniging van werknemers, die één of meer in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en voorts tenminste twee jaar in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid, kan de kantonrechter verzoeken te bepalen dat de ondernemer gevolg dient te geven aan artikel 35b.

Hoofdstuk

VII

De bedrijfscommissies

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Ten aanzien van de voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissies, alsmede ten aanzien van de personen die met het secretariaat van een bedrijfscommissie zijn belast, is artikel 20, eerste en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel

43

Vervallen

Artikel

44

Vervallen

Artikel

45

Vervallen

Artikel

46

Hoofdstuk

VIIA

Bijzondere taak Sociaal-Economische Raad

Artikel

46a

Onverminderd hetgeen hem is toebedeeld in deze wet en de daarop berustende bepalingen, heeft de Raad tot taak de medezeggenschap in ondernemingen te bevorderen.

Artikel

46b

Vervallen

Artikel

46c

Vervallen

Hoofdstuk

VII B

Bijzondere bepalingen voor ondernemingsraden bij de overheid

Artikel

46d

Ten aanzien van een onderneming, waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht en ten aanzien van een onderneming die overheidswerkgever is in de zin van de Ambtenarenwet 2017 gelden de volgende bijzondere bepalingen:

  • a.

    Voor de toepassing van deze wet wordt als bestuurder in de zin van deze wet niet aangemerkt

    • 1°.

      bij een ministerie: de minister of een staatssecretaris;

    • 2°.

      bij een provincie: de commissaris van de Koning, een lid van gedeputeerde staten of een lid van provinciale staten;

    • 3°.

      bij een gemeente: de burgemeester, een lid van het college van burgemeester en wethouders of een lid van de gemeenteraad;

    • 4°.

      bij een waterschap: de voorzitter, een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van het algemeen bestuur;

    • 5°.

      bij de Kamers der Staten-Generaal: de voorzitter van de Kamer of een lid;

    • 6°.

      bij de Raad van State: de vice-president of een lid;

    • 7°.

      bij de Algemene Rekenkamer: de president of een lid van de Algemene Rekenkamer;

    • 8°.

      bij de Nationale ombudsman: de Nationale ombudsman of een substituut-ombudsman.

  • b.

    Voor de toepassing van artikel 23, tweede lid, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende niet begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan, noch het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.

  • c.

    Voor de toepassing van onderdeel b bij de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zijn onder de aangelegenheden de onderneming betreffende tevens niet begrepen het beleid ten aanzien van en de uitvoering van de rechterlijke taken als bedoeld in artikel 23, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, behoudens voorzover het de gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen.

  • d.

    De in de artikelen 5, 8, tweede en derde lid, 37, 38, 39 en 41, tweede lid, van deze wet aan de Raad toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door de Minister van Binnenlandse Zaken.

  • e.

    Voor de toepassing van artikel 38, eerste lid, kunnen behalve een representatieve organisatie of organisaties van ondernemers ook een of meerdere ministers aangewezen worden.

  • f.

    De verordenende bevoegdheid van de Raad, met uitzondering van de bevoegdheid genoemd in artikel 46a, strekt zich niet uit tot ondernemingen waarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht.

  • g.

    Indien op grond van het bepaalde in onderdeel d de Minister van Binnenlandse Zaken een bedrijfscommissie heeft ingesteld, dient deze onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aan de Minister van Binnenlandse Zaken verslag uit te brengen. De Minister van Binnenlandse Zaken doet dit verslag toekomen aan de betrokken werkgevers of verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

  • h.

    Voor het behandelen van en beslissen op verzoeken als bedoeld in artikelen 27 en 36, ter zake van een rechtbank, is bevoegd de kantonrechter werkzaam bij de volgende rechtbank:

    • 1°.

      terzake van de rechtbank Amsterdam: de rechtbank Noord-Holland;

    • 2°.

      terzake van de rechtbank Den Haag: de rechtbank Rotterdam;

    • 3°.

      ter zake van de rechtbank Gelderland: de rechtbank Overijssel;

    • 4°.

      terzake van de rechtbank Limburg: de rechtbank Oost-Brabant;

    • 5°.

      terzake van de rechtbank Midden-Nederland: de rechtbank Noord-Nederland

    • 6°.

      terzake van de rechtbank Noord-Holland: de rechtbank Amsterdam;

    • 7°.

      ter zake van de rechtbank Noord-Nederland: de rechtbank Midden-Nederland;

    • 8°.

      terzake van de rechtbank Oost-Brabant: de rechtbank Zeeland-West-Brabant;

    • 9°.

      ter zake van de rechtbank Overijssel: de rechtbank Gelderland;

    • 10°.

      terzake van de rechtbank Rotterdam: de rechtbank Den Haag;

    • 11°.

      terzake van de rechtbank Zeeland-West-Brabant: de rechtbank Limburg.

  • i.

    Een beroep als bedoeld in artikel 26, eerste lid, ter zake van het gerechtshof Amsterdam, wordt ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.

Artikel

46e

Hoofdstuk

VIII

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

47

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet.

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

49a

Vervallen

Artikel

50

Voor de jaren 2006 en 2007 wordt in artikel 25, eerste lid, onderdeel m, voor «artikel 40, aanhef en eerste lid, onderdeel b» gelezen: artikel 122d, tweede lid.

Artikel

51

De bedrijfscommissies, door de Raad ingesteld krachtens de Wet op de Ondernemingsraden (Stb. 1950, K 174), worden geacht door de Raad te zijn ingesteld krachtens deze wet.

Artikel

52

Vervallen

Artikel

53

Artikel

53a

Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven of instellingen.

Artikel

53b

Deze wet is niet van toepassing op de rechterlijke ambtenaren werkzaam bij de Hoge Raad.

Artikel

53c

Deze wet is niet van toepassing op:

  • a.

    de leden van de Raad van State;

  • b.

    de leden van de Algemene Rekenkamer;

  • c.

    de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen.

Artikel

54

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat allen Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, B. ROOLVINK.
De Minister van Justitie, C. H. F. POLAK.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, L. J. M. VAN SON.
De Minister van Justitie, C. H. F. POLAK.