Instelling Commissie van advies ongeschiktheidsontslagen en disciplinaire straffen ambtenaren

De Minister van Binnenlandse Zaken,
Overwegende, dat de Raad van Ministers in zijn vergadering van 18 juni 1976 heeft besloten:
  • het inwinnen van het onder 1 bedoelde advies behoeft niet plaats te hebben, wanneer de betrokken ambtenaar te kennen heeft gegeven er geen prijs op te stellen door de commissie te worden gehoord;

  • het hiervoor onder 1 gestelde vindt geen toepassing, indien het bevoegde gezag reeds gehouden is over een ontslag als daarbedoeld het advies in te winnen van een commissie als bedoeld in artikel 3 van de Ambtenarenwet 1929;

  • het bevoegde gezag, dat overweegt een ambtenaar disciplinair te straffen, kan daarover het advies van de onder 1 bedoelde commissie inwinnen;

  • het bevoegde gezag stelt de commissie op de hoogte van zijn beslissing in de zaak waarover de commissie advies heeft uitgebracht, en in geval van beroep van de ambtenaar van het verdere verloop daarvan. Indien het bevoegde gezag na ontvangst van het advies – al dan niet in overeenstemming met dat advies – tot ontslagverlening onderscheidenlijk disciplinaire bestraffing, stelt het de betrokken ambtenaar in kennis van het advies;

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Raad van Ministers;

Besluit:

A

B

C

D

E

Het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 april 1965, nr. AB65/493 wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 november 1976.

's-Gravenhage
De Minister van Binnenlandse Zaken, W.F. deGaay Fortman