Subsidieregeling minimumloon 1978

De Minister van Sociale Zaken en de Minister van Economische Zaken,

Besluiten:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
wet:
b.
dienstbetrekking, werknemer en werkgever:

hetgeen de wet daaronder verstaat, met dien verstande dat onder werknemer niet wordt verstaan een werknemer die aan een derde ter beschikking is gesteld zoals bedoeld in de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten (Stb. 1965, 379);

c.
minimumloon:

ten minste het bij of krachtens de wet voor de betrokken leeftijdscategorie vastgestelde minimumloon en ten hoogste dit minimumloon vermeerderd met 5% of vermeerderd met het bedrag van de vergoeding voor kost en inwoning, die in het loon is begrepen;

d.
minimumloontrekkende:

de werknemer die op 2 januari 1978 de leeftijd van 23 jaar doch niet die van 65 jaar heeft bereikt en die uit hoofde van een op deze datum bestaande dienstbetrekking waarin hij als regel gedurende 35 uur of meer per week werkzaam is, over de uitbetalingsperiode waarin die datum valt, het minimumloon heeft ontvangen dan wel een daarop gebaseerde uitkering op grond van de Ziektewet (Stb. 1967, 473);

e.
part-time minimumloontrekkende:

de werknemer die op 2 januari 1978 de leeftijd van 23 jaar doch niet die van 65 jaar heeft bereikt en die uit hoofde van een op deze datum bestaande dienstbetrekking, waarin hij als regel meer dan 13 uur en minder dan 35 uur per week werkzaam is, over de uitbetalingsperiode waarin die datum valt, overeenkomstig artikel 12 van de wet een evenredig deel van het minimumloon heeft ontvangen dan wel een daarop gebaseerde uitkering op grond van de Ziektewet;

f.
minimumjeugdloontrekkende:

de werknemer die op 2 januari 1978 nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt en die uit hoofde van een op die datum bestaande dienstbetrekking, waarin hij als regel gedurende 35 uur of meer per week werkzaam is, over de uitbetalingsperiode waarin die datum valt, het minimumloon heeft ontvangen dan wel een daarop gebaseerde uitkering op grond van de Ziektewet;

g.
part-time minimumjeugdloontrekkende:

de werknemer die op 2 januari 1978 nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt en die uit hoofde van een op die datum bestaande dienstbetrekking, waarin hij als regel meer dan 13 uur en minder dan 35 uur per week werkzaam is, over de uitbetalingsperiode waarin die datum valt, overeenkomstig artikel 12 van de wet een evenredig deel van het minimumloon heeft ontvangen dan wel een daarop gebaseerde uitkering op grond van de Ziektewet;

h.
totale loonsom:

het totaal van de bedragen, door een werkgever voor zijn werknemers over het kalenderjaar 1977 vermeld als bruto loon voor de sociale verzekeringen in de door de werkgever op grond van de beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 31 december 1953 (Stcrt. 1954, 1) ingeleverde verzamelloonstaat (kolom 10) of het daarvoor in de plaats aangehouden stuk;

i.
minimumloonsom:

het bedrag dat gelijk is aan de som van de volgende produkten:

  • 1º.

    f 20 400 vermenigvuldigd met een getal gelijk aan het aantal minimumloontrekkenden dat op 2 januari 1978 in dienstbetrekking is bij de werkgever;

  • 2º.

    f 10 200 vermenigvuldigd met een getal gelijk aan het aantal part-time minimumloontrekkenden dat op 2 januari 1978 in dienstbetrekking is bij de werkgever;

  • 3º.

    f 15 300 vermenigvuldigd met een getal gelijk aan het aantal minimumjeugdloontrekkenden dat op 2 januari 1978 in dienstbetrekking is bij de werkgever;

  • 4º.

    f 7650 vermenigvuldigd met een getal gelijk aan het aantal part-time minimumjeugdloontrekkenden dat op 2 januari 1978 in dienstbetrekking is bij de werkgever.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Bij de toekenning van de subsidie overeenkomstig de aanvrage van de werkgever wordt het bedrag hiervan aan hem uitbetaald op een door hem aangewezen post- of bankrekening.

Artikel

10

Besluiten tot weigering van subsidie of tot toekenning van een anders dan overeenkomstig de aanvrage vastgesteld bedrag zijn met redenen omkleed en worden door de Minister van Sociale Zaken schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

's-Gravenhage
De Minister van Sociale Zaken,
Overeenkomstig de geparafeerde minute,
De secretaris-generaal, J. P.Verheul , plv.
De Minister van Economische Zaken,
Overeenkomstig de geparafeerde minute,
De secretaris-generaal, F. W.Rutten