Besluit van 1 mei 1981, tot uitvoering van het bepaalde in artikel 30 van de Wet toezicht kredietwezen met betrekking tot andere kapitaalmarktinstellingen dan hypotheekbanken

Besluit ondertoezichtstelling overige kapitaalmarktinstellingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, Generale Thesaurie, Directie Binnenlands Geldwezen, van 21 mei 1980, nr. 380-5614;
Gelet op de bepalingen van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (Pb. E.G. L 322/80);
Gezien de adviezen van De Nederlandsche Bank N.V. en van de Bankraad;
De Raad van State gehoord (advies van 27 augustus 1980, no. 800820/9);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 23 april 1981, nr. 381-2978;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Dit besluit is van toepassing op rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van het publiek van gelden, op termijnen van twee jaar of langer opvorderbaar, en van het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen, met uitzondering van:

  • a.

    kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet toezicht kredietwezen;

  • b.

    hypotheekbanken als bedoeld in artikel 1 van het Besluit ondertoezichtstelling hypotheekbanken;

  • c.

    ondernemingen en instellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Eerste richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (Pb. E.G.L 322/30) bij welke naar het oordeel van Onze Minister van Financiën de belangen van crediteuren uit anderen hoofde voldoende beschermd zijn.

Artikel

2

De Nederlandsche Bank N.V. houdt toezicht op de ondernemingen en instellingen, waarop dit besluit van toepassing is, in het belang van hun solvabiliteit en liquiditeit.

Artikel

3

De artikelen 1, vijfde lid, 2-11, 13, 16, 17, tweede, derde en vierde lid, 18-20, 23-27, 31-41, 44 en 46-50 van de Wet toezicht kredietwezen zijn op de ondernemingen en instellingen, waarop dit besluit van toepassing is, van overeenkomstige toepassing.

Artikel

4

Lasten en bevelen, dat dit besluit alsmede de bijbehorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Lage Vuursche
Beatrix
De Minister van Financiën, Van der Stee
De Minister van Justitie, J. de Ruiter