Artikel
1
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
In dit hoofdstuk en hoofdstuk III wordt verstaan onder:
"Onze minister": Onze minister van Onderwijs en Wetenschappen;
"nieuwe school": school voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs, als bedoeld in artikel 1 onder D, van deze wet;
"afdeling": afdeling voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs, verbonden aan een nieuwe school;
"bestaande school": een op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde school voor huishoud- en nijverheidsonderwijs, voor zover daaraan middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs wordt gegeven, of een school voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, dan wel een scholengemeenschap waarvan een of meer van deze scholen deel uitmaken;
"bevoegd gezag": voor wat betreft:
een rijksschool: Onze minister;
een gemeentelijke school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
een bijzondere school: het schoolbestuur.
Na overleg met de daarvoor in aanmerking komende organisaties stelt Onze minister, de Onderwijsraad gehoord, een invoeringsplan vast van de nieuwe scholen en afdelingen die in het jaar 1984 voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht, alsmede een aanvullend plan van de afdelingen die in het jaar 1985 voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht. Daarnaast kunnen in het invoeringsplan en het aanvullend plan afdelingen worden opgenomen zonder vermelding van het jaar waarin zij voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht.
Bij de samenstelling van het invoeringsplan en het aanvullend plan, bedoeld in artikel 3, wordt uitgegaan van verzoeken, bij Onze minister ingediend door of namens het bevoegd gezag van een bestaande school, alsmede van de in de tweede volzin van dit lid bedoelde deelplannen, alsmede van de door Onze minister noodzakelijk geachte rijksscholen. Indien het verzoek namens het bevoegd gezag wordt ingediend door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich de bevordering van het voortgezet onderwijs ten doel stelt, is het vervat in een deelplan waarin zijn opgenomen de nieuwe scholen en afdelingen waarvan de aanvang van de bekostiging in het jaar 1984, alsmede de afdelingen waarvan de aanvang van de bekostiging in het jaar 1985 door die rechtspersonen wordt voorgestaan.
De verzoeken worden voor 1 november 1982 bij Onze minister ingediend. Zij zijn met redenen omkleed, vermelden de afdelingen die de nieuwe school zal omvatten alsmede de plaats van vestiging van die school, en gaan vergezeld van een prognose omtrent de te verwachten omvang. Onze minister kan nadere voorschriften geven met betrekking tot de bij het verzoek over te leggen prognose en overige bescheiden. Deze voorschriften worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
Indien voor een plaats van vestiging meer dan een verzoek wordt ingediend voor een nieuwe school waar het verlangde onderwijs zal worden gegeven, wordt de te verwachten omvang van elke school geacht niet groter te zijn dan het totale aantal leerlingen dat blijkens de prognose, bedoeld in artikel 4, tweede lid, uit het betrokken gebied kan worden verwacht, gedeeld door het aantal verzoeken.
Bij de prognose omtrent de te verwachten omvang van een nieuwe school of een afdeling worden niet in aanmerking genomen de leerlingen, voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school waar het verlangde onderwijs zal worden gegeven.
Indien Onze minister van oordeel is, dat een andere afdeling dan gevraagd wordt, dan wel een andere plaats van vestiging meer in overeenstemming is met een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, treedt hij, alvorens het invoeringsplan of het aanvullend plan, bedoeld in artikel 3, wordt vastgesteld, in overleg met de aanvrager. Het bepaalde in de vorige volzin is eveneens van toepassing, indien Onze minister voornemens is, de gevraagde afdeling niet in het invoeringsplan of het aanvullend plan op te nemen.
Een verzoek tot opneming van een nieuwe school in het invoeringsplan leidt in elk geval tot opneming van die school in het invoeringsplan indien:
redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat de school zal worden bezocht door ten minste 500 leerlingen, en
de school past in een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied, alsmede
in een plaats van vestiging waar een nieuwe school wordt voorzien, de aanvrager het bevoegd gezag is van alle in het betrokken gebied bestaande scholen waar het verlangde onderwijs wordt gegeven, en zich bereid verklaart tot samenvoeging van die scholen tot een school op uiterlijk 31 juli 1984.
Onze minister stelt vóór 1 maart 1983 onderscheidenlijk vóór 1 januari 1984 het invoeringsplan en het aanvullend plan, bedoeld in artikel 3, vast.
Het invoeringsplan en het aanvullend plan worden binnen een maand na de vaststelling in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt en aan de aanvragers toegezonden.
Indien aan een verzoek tot opneming van een nieuwe school of van een afdeling geen gevolg is gegeven, worden de redenen hiervan bij de toezending van het invoeringsplan en van het aanvullend plan aan de aanvrager medegedeeld.
De bekostiging van een in het invoeringsplan opgenomen nieuwe school neemt niet eerder een aanvang dan nadat is komen vast te staan, dat de door het bevoegd gezag in het betrokken gebied beheerde bestaande scholen op uiterlijk 31 juli 1984 zijn samengevoegd tot een school.
Zodra de bekostiging van een in het invoeringsplan opgenomen nieuwe school of afdeling, dan wel een in het aanvullend plan opgenomen afdeling een aanvang kan nemen, doet Onze minister daarvan mededeling aan het bevoegd gezag en aan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
De aanspraak op bekostiging vervalt, indien de voorgenomen aanvang van de nieuwe school of de afdeling niet is verwezenlijkt binnen twee jaar na het jaar waarin de bekostiging een aanvang had kunnen nemen, tenzij Onze minister in bijzondere gevallen anders bepaalt.
In het aanvullend plan worden in elk geval opgenomen de afdelingen die in het invoeringsplan zijn opgenomen zonder vermelding van het jaar waarin zij voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht.
In het krachtens artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs vast te stellen plan van de scholen die in de jaren 1986-1987-1988 voor bekostiging in aanmerking zullen worden gebracht, worden in elk geval opgenomen de afdelingen uit het aanvullend plan die nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht.
De bekostiging vangt in ieder geval aan nadat de afdeling vijf achtereenvolgende jaren in een plan is opgenomen.
Vervallen
Voor de toepassing van artikel 10, derde en vierde lid, wordt onder plan verstaan: het invoeringsplan, het aanvullend plan, en het plan van scholen, bedoeld in artikel 65 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Een bestaande school als bedoeld in Hoofdstuk II wordt met ingang van 1 augustus 1984 een school voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs, indien op de aanvraag van het bevoegd gezag die school voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs in het invoeringsplan is opgenomen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gegeven met betrekking tot de rechtspositionele gevolgen van het bepaalde in de vorige volzin.
De bij of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften die betrekking hebben op het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs en op het middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs, vervallen voor zover bij deze wet niet anders is bepaald.
De op 31 juli 1984 uit 's Rijks kas bekostigde scholen voor middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs en voor middelbaar sociaal-pedagogisch onderwijs komen voor wat het eerste leerjaar betreft met ingang van 1 augustus 1984 niet meer voor zodanige bekostiging in aanmerking.
Met betrekking tot de op 1 augustus 1984 aangevangen hogere leerjaren blijven de op 31 juli 1984 voor het betrokken onderwijs geldende voorschriften van toepassing, voor wat betreft het tweede leerjaar tot 1 augustus 1985, en voor wat betreft het derde leerjaar tot 1 augustus 1986. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
In afwijking van het eerste lid wordt de bekostiging van een op 31 juli 1984 op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde afdeling couture, verbonden aan een school voor middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs, tot uiterlijk 31 juli 1986 voortgezet. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Leerlingen die het eindexamen niet met goed gevolg hebben afgelegd, kunnen het jaar, volgende op dat van het eindexamen, in de gelegenheid worden gesteld alsnog eindexamen af te leggen volgens door Onze minister nader te stellen regelen. Deze regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.
Tot een nader door Onze minister te bepalen datum kan een op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde afdeling interim algemene schakelopleiding of afdeling vooropleiding voor hoger beroepsonderwijs van het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs dan wel kunnen beide afdelingen, worden verbonden aan een in het in artikel 3 bedoelde invoeringsplan opgenomen school.
In afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid blijven op de in het eerste lid bedoelde afdelingen de op 31 juli 1984 voor het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs geldende voorschriften van toepassing. Wij kunnen deze voorschriften wijzigen voor zover zij bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven.
De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 22, van de Wet op het voortgezet onderwijs, kan voor zover het betreft de scholen en afdelingen voor middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs niet alleen voorschriften inhouden omtrent de onderwerpen, genoemd in het tweede tot en met vierde lid van dat artikel, maar tevens omtrent het schoolwerkplan en de onderwerpen die dit in elk geval moet bevatten, alsmede het activiteitenplan.
Met betrekking tot de in het voorgaande lid bedoelde scholen en afdelingen wordt in artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs gelezen:
in het eerste lid in plaats van "het leerplan en de lesrooster": het schoolwerkplan en het activiteitenplan.
in het tweede lid in plaats van "het leerplan": het schoolwerkplan.
in het derde lid in plaats van "de leerplannen": de schoolwerkplannen.
in het vijfde lid in plaats van "leerplannen en lesroosters": schoolwerkplannen en activiteitenplannen.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1984, met uitzondering van hoofdstuk II dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.