Besluit van 24 januari 1983, tot vaststelling van een nieuw Legesbesluit

Legesbesluit 1983

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Buitenlandse Zaken van 20 december 1982, Directie Algemene Zaken, DAZ-345781 en van Financiën van 20 december 1982, Directoraat-Generaal van de Rijksbegroting, Inspectie der Rijksfinanciën, nr. 482-8133;
Gelet op artikel 2 van de wet van 9 mei 1890 tot nadere regeling van de heffing en bestemming van de kanselarijleges (Stb. 80), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 23 juni 1923, Stb. 291;
Overwegende dat het wenselijk is, wijziging aan te brengen met betrekking tot de legesheffing voor paspoorten en andere reisdocumenten, alsook de kanselarijleges voor de afgifte van visa te verhogen;
De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 1983, nr. 2719/06/8301);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 13 januari 1983, Directie Algemene Zaken, DAZ-7417, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    het verlengen van een paspoort, of een ander reisdocument: het verlengen van de geldigheidsduur van een paspoort c.q. reisdocument, alsook het geldig maken van een paspoort of een ander reisdocument, waarvan de geldigheidsduur reeds is verstreken, voor een later tijdvak.

  • b.

    Onze Minister: Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

  • c.

    levenspartner: een persoon als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken van 24 november 1986, Stb. 611.

Artikel

2

Artikel

3

Voor het afgeven van een paspoort, een groter aantal bladen bevattende dan een paspoort bedoeld in het vorig artikel, met een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar, ten behoeve van een Nederlander, wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 35,39.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Voor het afgeven van een identiteitskaart (toeristenkaart) Am, met een geldigheidsduur van ten hoogste één maand, door de brigade-commandant van de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van een Nederlander, wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 24,50.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

9a

Voor het aanbrengen van een wijziging in de persoonsgegevens van de houder van een reisdocument, alsmede voor het op diens verzoek bijschrijven van de persoonsgegevens van een kind, door Onze Minister wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 2,50.

Artikel

10

Voor het afgeven van een laissez-passer wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 24,50.

Artikel

10a

Voor het verlengen van een reisdocument als bedoeld in de artikelen 2, 3, 8 en 10, met een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar, door autoriteiten die door Onze Minister daartoe zijn gemachtigd, wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 43,79.

Artikel

11

Artikel

12

Voor het afgeven van een collectief paspoort wordt aan kanselarijleges geheven een bedrag van € 52,64 met dien verstande dat dit bedrag, indien de afgifte plaatsvindt door Onze Minister, wordt verhoogd met € 5,26 voor elke persoon die op het collectieve paspoort staat vermeld.

Artikel

12a

Vervallen

Artikel

12b

Vervallen

Artikel

12c

Vervallen

Artikel

12d

Vervallen

Artikel

12e

Vervallen

Artikel

12f

Vervallen

Artikel

13

Vervallen

Artikel

14

Vervallen

Artikel

15

Vervallen

Artikel

16

Indien de belanghebbende onvermogend is kan, na verkregen algemene of bijzondere machtiging van Onze Minister, afgifte of verlenging van een reisdocument met een geldigheidsduur van één jaar kosteloos plaatsvinden.

Artikel

17

Artikel

18

De in artikel 17 bedoelde zegels verstrekt Onze Minister, bij wijze van voorschot, aan de autoriteiten die met de afgifte van paspoorten en identiteitskaarten (toeristenkaarten) en met de verlenging van paspoorten zijn belast.

Onze Minister is bevoegd ter zake nadere regelingen te stellen.

Artikel

19

De verantwoording en afdracht van de geheven leges vindt plaats aan Onze Minister, op de wijze door Onze Minister voor te schrijven.

Artikel

20

Het toezicht op de juiste wijze van heffing en verantwoording van de kanselarijleges wordt uitgeoefend door de ambtenaren, door Onze Minister aan te wijzen.

Artikel

21

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel "Legesbesluit 1983".

Artikel

22

Dit besluit treedt in werking op een door Onze Minister te bepalen datum.

Met ingang van dezelfde datum vervalt het Koninklijk Besluit van 2 augustus 1960, Stb. 336.

Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Buitenlandse Zaken, H. van den Broek
De Minister van Financiën, O. Ruding
De Minister van Justitie, F. Korthals Altes