Besluit Kernprogramma opleiding diploma Kraamverzorgster 1984

De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Overwegende dat het noodzakelijk is de opleiding tot kraamverzorgster aan te passen aan de huidige inzichten op het gebied van de kraamverzorging en op onderwijskundig terrein;

Besluit:

§

I

Algemene bepaling

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a.
minister:

de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

b.
hoofdinspecteur:

de geneeskundig hoofdinspecteur van de volksgezondheid;

c.
inspecteur:

de regionale inspecteur van de volksgezondheid in wiens ambtsgebied het desbetreffende internaat is gelegen;

d.
coördinatiecommissie:

het provinciaal orgaan, ingesteld door organisaties als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Rijksregeling tot vaststelling van de subsidievoorwaarden voor kraaminternaten, dat de theoretische en praktische opleiding coördineert en verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in dit besluit;

e.
internaat:

een internaat voor de vorming en theoretische opleiding tot kraamverzorgster;

f.
kraamcentrum:

een instelling welke tot doel heeft het verlenen van zorg aan kraamvrouwen en pasgeborenen in de vorm van interne of wijkkraamzorg, alsmede het geven van praktische opleiding aan leerlingkraamverzorgsters, en welke is erkend op grond van artikel 8a van de Ziekenfondswet (Stb. 1961, 392);

g.
inrichting:

de verloskundige afdeling dan wel een opleidingsschool van een door de minister tot het geven van de opleiding diploma A-verpleegkundige erkend algemeen ziekenhuis;

h.
provinciaal verpleegkundige:

een provinciaal verpleegkundige voor de kraamzorg als bedoeld in artikel 1, onder o, van het Besluit normen en voorwaarden kraamcentra (Stcrt. 1973, 200).

§

II

Opleiding

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

De opleiding in het internaat vangt ten minste tweemaal per jaar aan.

Artikel

6

Eenmaal per jaar, uiterlijk 15 september, worden aan de minister overgelegd:

  • een exemplaar van het jaaroverzicht van de aktiviteiten van het internaat in het komende kalenderjaar;

  • een lessentabel;

  • een docentenlijst;

  • een begroting;

volgens een door de minister vastgesteld model.

Artikel

7

§

III

De inhoud van de opleiding

Artikel

8

Het theoretische gedeelte van de opleiding gedurende de internaatsperiode omvat tenminste 375 lesuren, in de vorm van theorielessen en praktijkleeropdrachten:

– Anatomie/fysiologie

18 uur

– Verloskunde

24 uur

– Kraamzorg

45 uur

– Kinderhygiëne

bestaande uit kindergeneeskunde (12 uur) en sociale kinderhygiëne (6 uur)

18 uur

– Maatschappelijke gezondheidszorg

6 uur

– Gezondheidsvoorlichting

2 uur

113 uur

– Theorie/praktijk voeding

38 uur

– Wasbehandeling

10 uur

– Woninghygiëne

13 uur

– Organisatie huishouding

6 uur

– Gezondheidsvoorlichting

2 uur

69 uur

– Omgangskunde

60 uur

– Geestelijke-/maatschappelijke stromingen

12 uur

– Gezondheidsvoorlichting

10 uur

– Vrije expressie

30 uur

112 uur

– Studie-uren

25 uur

– Introductie

2 uur

– Evaluatie

15 uur

– Waarderingsgesprekken

1 uur

43 uur

Totaal

337 uur

omvat 38 uur verdeeld over de onderdelen A, B, C en D.

Artikel

9

De in artikel 8 genoemde lessen dienen gegeven te worden door de hieronder genoemde docenten met de daarachter vermelde diploma's en bevoegdheden:

  • anatomie en fysiologie: A-verpleegkundige met aantekening Kraamverpleging of specialisatie obstetrie/gynaecologie, bij voorkeur in het bezit van een diploma docent-verpleegkunde, HBO-V of arts;

  • verloskunde: verloskundige of arts;

  • kraamzorg: A-verpleegkundige met aantekening kraamverpleging en met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg of een A-verpleegkundige met aantekening kraamverpleging of specialisatie obstetrie/gynaecologie en in het bezit van het diploma van de docentenopleiding of HBO-V met voldoende ervaring in de kraamverpleging;

  • kindergeneeskunde: arts met ervaring in de zorg voor de pasgeborene;

  • sociale kinderhygiëne: districtsverpleegkundige voor kinderhygiëne of kinderhygiënist;

  • maatschappelijke gezondheidszorg: arts (jeugdgezondheidszorg), A-verpleegkundige met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg, HBO-V;

– theorie en bereiding van de voeding:

lerarenakte N XII of N XIX en pedagogisch getuigschrift; NLO Omgangskunde 2e graads,

– theorie en praktijk van de wasbehandeling;

– theorie en praktijk van de woninghygiëne;

– organisatie huishouden;

– vormende vakken: omgangskunde en vrije expressie:

docenten in het bezit van het diploma:

  • sociale academie (culturele richting)

  • NLO Omgangskunde 2e graads

  • Akte N XX

  • KMO

  • Mikojel;

gezondheidsvoorlichting:

  • verpleegkundige met aantekening maatschappelijke gezondheidszorg, HBO-V of GVO,

  • docent sociale gezondheidskunde;

geestelijke en maatschappelijke stromingen:

  • ter bereiding door de inrichting op niveau van 2e of 3e graads lerarenbevoegdheid van de WVO.

§

IV

Beoordeling tijdens en aan het einde van de internaatsperiode

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

§

V

De praktijkperiode in het kraamcentrum en de inrichting

Artikel

13

Artikel

14

Gedurende de praktijkperiode wordt theoretisch onderwijs gegeven omvattende:

  • a.

    bij het kraamcentrum, gedurende 2 lesuren per week met een minimum van 70 uur per praktijkperiode, zorg voor kraamvrouw en pasgeborene met de daarbij behorende praktijkleeropdrachten; dit kan ook in lesdagen met een minimum van 52 uur en een maximum van 60 lesuren per praktijkperiode zoals omschreven in het werkboek opleiding kraamverzorgsters;

  • b.

    gedurende de twee weken in het internaat als bedoeld in artikel 3, vierde lid, in ieder geval 8 uur kraamzorg in complexe sociale situaties, 10 uur kindergeneeskunde (pathologie van de pasgeborene) en 10 uur verloskunde. Bij de resterende uren komen in ieder geval huishouding en vorming aan de orde.

Artikel

15

§

VI

Toetsen en waarderingsgesprekken tijdens de praktijkperiode

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

§

VII

Het eindexamen

Artikel

19

De leerling wordt tot het eindexamen toegelaten als aan de hoofdinspecteur de volgende stukken zijn overgelegd, welke hem tenminste 3 weken vóór de datum van het examen dienen te worden voorgelegd door de provinciaal verpleegkundige:

  • a.

    het praktijkboekje waaruit moet blijken dat:

    • de leerling kraamverzorgster het aantal onderbrekingsdagen zoals gesteld in artikel 4, tweede en derde lid, niet heeft overschreden, behoudens ontheffing ingevolge het vierde lid van dat artikel;

    • alle verplichte handelingen volgens artikel 15, eerste lid zijn afgetekend door of namens de leidster-docente van het kraamcentrum;

    • de zittingen op consultatiebureau's zoals gesteld in artikel 15, tweede lid, zijn bijgewoond;

  • b.

    de gezinslijst, volgens een in bijlage 2 aangegeven model, waaruit moet blijken dat de leerling kraamverzorgster aan de eisen gesteld in artikel 14, tweede lid, heeft voldaan;

  • c.

    de geanonimiseerde temperatuurlijsten behorende bij de op de gezinslijst vermelde verzorgingen;

  • d.

    een overzichtslijst afsluiting opleiding tot kraamverzorgsters, waaruit moet blijken dat de beoordelingen, bedoeld in de artikelen 10 en 16 met voldoende of goed zijn gewaardeerd.

  • e.

    een bewijs van storting in de rijksschatkist van het vastgestelde examengeld ten bedrage van f 60.

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Ten behoeve van de gecommitteerde(n) dient er bij het eindgesprek per leerling aanwezig te zijn:

  • het praktijkboekje;

  • de gezinslijst;

  • de temperatuurlijsten behorende bij de op de gezinslijst vermelde verzorgingen;

  • het overzicht afsluiting opleiding tot kraamverzorgster;

  • 10 door de leerling gemaakte verslagen van door haar verrichte verzorgingen;

  • de waarderingen van het functioneren tijdens de praktijkperiode in de 3e, 6e en 9e maand;

  • de door de leerling gemaakte tussentoets en eindtoets.

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

Wanneer de leerling voor de tweede maal bij het eindgesprek wordt afgewezen, wordt deze van het volgen van de opleiding in de desbetreffende instelling uitgesloten.

Artikel

27

Artikel

28

Na afloop van het eindexamen brengt(en) de gecommitteerde(n) een verslag uit aan de hoofdinspecteur over het niveau en het verloop van het eindgesprek.

Artikel

29

De hoofdinspecteur, de inspecteur, alsmede een door hen in het algemeen of voor een bijzonder geval aan te wijzen ambtenaar zijn bevoegd de lessen, de theoretische beoordeling en het eindgesprek bij te wonen.

§

VIII

Overgangsbepalingen

Artikel

30

Het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 28 september 1970, Stcrt. 1971, nr. 7, wordt ingetrokken.

Artikel

31

Ten aanzien van de leerlingen wier opleiding een aanvang heeft genomen vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het Besluit kernprogramma opleiding tot kraamverzorgster van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid dd. 28 december 1970. Stcrt. 1971, no. 7 van toepassing, met dien verstande dat na 1 september 1985 geen examens meer ingevolge genoemd besluit kunnen worden afgelegd en dat de provinciaal verpleegkundige en de directrice van het internaat gezamenlijk bepalen of tot die datum de opleiding ingevolge de code dan wel de nieuwe regeling wordt gegeven.

Artikel

32

Leidschendam
De staatssecretaris voornoemd, J. P. van derReijden