Beperking geluidhinder militaire luchtvaart

De staatssecretaris van Defensie,
Gelet op de artikelen 1, 2 en 3, tweede lid, onder b van het Besluit houdende vaststelling van enige regels ter beperking van geluidhinder door luchtvaartuigen (Stb. 1981, 343);
handelende in overeenstemming met de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Besluit:

Artikel

1

Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen binnen de plaatselijke verkeersleidingsgebieden rond militaire luchtvaartterreinen moeten de volgende voorschriften worden nagekomen:

  • a.

    Het verkeerscircuit, de routering, de snelheid en de hoogte van vertrekkende en binnenkomende luchtvaartuigen moeten zodanig worden gekozen, dat het optreden van vermijdbare geluidhinder, met name in de bebouwde kommen en in de omgeving van bijzondere bebouwing, zoals ziekenhuizen en sanatoria, wordt voorkomen.

  • b.

    Bij een van het luchtvaartterrein opstijgend luchtvaartuig moet, afhankelijk van het type, alsmede van de aard van de vluchtopdracht en zonder dat daardoor de vliegveiligheid in gevaar wordt gebracht of afbreuk wordt gedaan aan de operationele eisen, na de start zo snel mogelijk het startvermogen van de motor c.q. motoren tot normaal klimvermogen worden verminderd en dient naar de voor het type luchtvaartuig bij beschikking van 12 juli 1982, nr. 047.761/033.978 (Stcrt. 1982, nr. 137), vastgestelde minimum vlieghoogte te worden geklommen.

  • c.

    Het aantal starts en doorstarts voor oefendoeleinden moet worden beperkt tot het, voor het verkrijgen dan wel het behouden van de vaardigheid door iedere individuele vlieger, noodzakelijk minimum.

  • d.

    Het overvliegen van het luchtvaartterrein beneden de voor het type luchtvaartuig vastgestelde verkeerscircuithoogte is niet toegestaan, tenzij door de commandant van het militaire luchtvaartterrein – om redenen van operationele aard, bijvoorbeeld in het kader van een onderdeelsoefening – anders is bepaald.

  • e.
    • (1.)

      Het vliegen voor oefendoeleinden, waaronder wordt begrepen het nachtvliegen, is voor vliegtuigen van de Koninklijke luchtmacht niet toegestaan op vrijdagavonden, zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen, en is voor vliegtuigen van de Koninklijke marine niet toegestaan op zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen

    • (2.)

      Voor luchtvaartuigen behorende tot de Koninklijke marine en luchtvaartuigen behorende tot de Koninklijke luchtmacht belast met de SAR-taak, is het vliegen voor oefendoeleinden, waaronder mede wordt begrepen het nachtvliegen, op werkdagen na 01.00 uur plaatselijke tijd tot het aanbreken van de uniforme daglichtperiode, niet toegestaan.

    • (3.)

      Voor luchtvaartuigen behorende tot de Koninklijke luchtmacht is het vliegen voor oefendoeleinden, waaronder mede wordt begrepen het nachtvliegen, op werkdagen na middernacht plaatselijke tijd tot het aanbreken van de uniforme daglichtperiode niet toegestaan.

  • f.
    • (1.)

      Luchtvaartuigen behorende tot de Koninklijke marine en luchtvaartuigen behorende tot de Koninklijke luchtmacht belast met de SAR-taak mogen na middernacht plaatselijke tijd geen oefendoorstarts uitvoeren.

    • (2.)

      Luchtvaartuigen van de Koninklijke luchtmacht mogen na 22.00 uur plaatselijke tijd geen oefendoorstarts uitvoeren.

Artikel

2

Met betrekking tot het uitvoeren van vluchten met militaire luchtvaartuigen elders dan binnen de in artikel 1 bedoelde verkeersleidingsgebieden, moeten de volgende voorschriften worden nagekomen:

  • a.

    Vluchten boven land, beneden een hoogte van 1000 meter (3000 voet) boven het aardoppervlak, moeten worden uitgevoerd met een lagere snelheid dan 350 knopen. Indien de vliegeigenschappen van het type luchtvaartuig, of de aard van de vluchtopdracht tot het vliegen met een hogere snelheid nopen, mag worden gevlogen met een zoveel hogere snelheid als deswege noodzakelijk is, doch niet met een hogere snelheid dan 450 knopen.

  • b.

    Tijdens incidentele vliegoefeningen, waarbij een hogere snelheid dan 450 knopen is vereist, mag krachtens een bijzondere opdracht, verstrekt namens de bevelhebber der Zeestrijdkrachten respectievelijk bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, gedurende een in die opdracht aangegeven gedeelte van de vlucht worden gevlogen met een eveneens in de opdracht vermelde hogere snelheid, welke ten hoogste 0.86 maal de plaatselijke voortplantingssnelheid van het geluid mag bedragen.

  • c.

    Tijdens vluchten boven land, beneden een hoogte van 1000 meter (3000 voet) boven het aardoppervlak, moet de route zodanig worden gekozen dat het optreden van vermijdbare geluidhinder met name boven bebouwde kommen en bijzondere bebouwing zoals ziekenhuizen en sanatoria wordt voorkomen.

Artikel

3

Artikel

4

Bij het uitvoeren van vluchten dient ernaar te worden gestreefd vermijdbare geluidhinder boven stiltegebieden te voorkomen.

Artikel

5

Onverminderd de bepalingen van het LVR-1980, mag door of namens de bevelhebber der Zeestrijdkrachten respectievelijk bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, ieder voor zoveel hem aangaat, van het bepaalde in de vorige artikelen worden afgeweken in bijzondere gevallen.

Artikel

6

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de datum van ondertekening.

's-Gravenhage
De staatssecretaris van Defensie, J. vanHouwelingen