Wet van 3 oktober 1984, houdende regelen omtrent de opheffing van het recht van de Dertiende Penning

Wet regelen omtrent de opheffing van het recht van de Dertiende Penning

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is om te geraken tot opheffing van het recht van de Dertiende Penning;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

Artikel

2

Deze wet treedt in werking op de eerste kalenderdag van de maand januari van het jaar dat volgt op dat waarin deze in het Staatsblad is geplaatst.

Artikel

3

Onze Minister van Justitie draagt zorg dat bekendheid wordt gegeven aan de dag waarop ingevolge de artikelen 1, tweede lid, en 2 het recht van de Dertiende Penning zal zijn opgeheven. Deze bekendmaking geschiedt in de derde maand welke volgt op die waarin deze wet in het Staatsblad is geplaatst.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Justitie, F. Korthals Altes
De Minister van Justitie, F. Korthals Altes