Artikel
1
Dit besluit verstaat onder:
-
a.
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
-
b.
de raad: de Nationale havenraad, bedoeld in artikel 2.
Hebben goedgevonden en verstaan:
Dit besluit verstaat onder:
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
de raad: de Nationale havenraad, bedoeld in artikel 2.
Er is een Nationale havenraad.
De raad heeft tot taak het door overleg bevorderen van:
de samenwerking tussen het havenbedrijfsleven, het rijk, de gemeenten en andere openbare lichamen, die bij zeehavenaangelegenheden betrokken zijn, bij de beleidsvoorbereiding en -uitvoering inzake zeehavenaangelegenheden van nationaal belang;
de coördinatie van beslissingen over zeehavenaangelegenheden die zowel van het rijk als van een of meer gemeenten of andere openbare lichamen een besluitvorming vergen;
de coördinatie tussen de gemeenten of andere openbare lichamen onderling met betrekking tot zeehavenaangelegenheden die in de eerste plaats tot hun verantwoordelijkheid behoren.
De raad rapporteert aan de door de leden vertegenwoordigde instanties desgevraagd of eigener beweging over het overleg inzake zeehavenaangelegenheden van nationaal belang, als bedoeld in artikel 3.
De raad brengt éénmaal per jaar schriftelijk verslag uit over zijn werkzaamheden waaraan door de raad kan worden toegevoegd een overzicht van de stand van zaken op het gebied van de zeehavenaangelegenheden die naar zijn oordeel van nationaal belang zijn.
Het schriftelijk verslag en het overzicht bedoeld in het eerste lid, worden openbaar gemaakt. Van deze openbaarmaking wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant.
Ten aanzien van dit verslag en dit overzicht is artikel 11 eerste lid van overeenkomstige toepassing.
De raad heeft ten minste negentien en ten hoogste tweeëntwintig leden. Onze Minister stelt, de raad gehoord, het aantal vast.
In de raad hebben in elk geval zitting:
een voorzitter;
ten minste zes vertegenwoordigers van het havenbedrijfsleven;
ten minste één vertegenwoordiger van de dagelijkse besturen van gemeenten en/of andere openbare lichamen betrokken bij het beheer en bestuur van zeehavens, uit elk van de commissies bedoeld in artikel 12 leden 5 en 6;
zes vertegenwoordigers van het rijk.
De voorzitter wordt, de raad gehoord, bij koninklijk besluit benoemd, de overige leden worden door Onze Minister benoemd.
De raad kiest uit zijn midden één of twee ondervoorzitters, die door de raad van die functie kunnen worden ontheven.
De voorzitter kan personen die geen lid zijn, uitnodigen aan een vergadering van de raad deel te nemen.
De raad kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging commissies instellen, waarvan ten minste de secretaris lid is.
De commissies dienen de raad van advies ter voorbereiding van het overleg in de raad over bepaalde onderwerpen of van een bepaald rapport.
De voorzitter van de raad kan deelnemen aan de vergaderingen van commissies die door de raad zijn ingesteld. Hij ontvangt alle stukken van die commissies.
Bij de instelling van een commissie wijst de raad een voorzitter aan en voorziet in de regeling van het secretariaat.
De raad stelt een commissie van de overige zeehavens in. In deze commissie heeft in elk geval zitting een vertegenwoordiger van elk van de colleges van burgemeester en wethouders van door Onze Minister aan te wijzen gemeenten en van de dagelijkse besturen van door Onze Minister aan te wijzen andere openbare lichamen.
Telkens binnen een termijn van vier jaar brengt de raad een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de raad aan een onderzoek wordt onderworpen.
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Het horen van de raad blijft achterwege bij de eerste vaststelling onderscheidenlijk benoeming als bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, derde lid.
Het Besluit Voorlopige Nationale Havenraad (Stb. 1980, 379), zoals gewijzigd bij het Besluit van 22 november 1984 (Stb. 1984, 581) wordt ingetrokken.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.