Regeling typekeuring geluidproduktie bromfietsen

De minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de minister van Economische Zaken;

Besluiten:

Hoofdstuk

I

Keuringsinstantie

Artikel

1

Vervallen

Hoofdstuk

II

Keuringsreglement

Artikel

2

Vervallen

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

Vervallen

Hoofdstuk

III

Keuringsvoorschriften

Artikel

6b

Ten aanzien van het vervaardigen, invoeren, in voorraad hebben, te koop aanbieden, afleveren of vervoeren houdt een goedkeuring als bedoeld in artikel 2a van het Besluit geluidproduktie bromfietsen, waaraan de voorschriften van richtlijn 87/56 ten grondslag hebben gelegen, met ingang van 18 december 2000 op te gelden.

Hoofdstuk

IV

Goedkeuring door de ministers

Hoofdstuk

V

Slotbepalingen

Artikel

8

Artikel

9

Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling typekeuring geluidproduktie bromfietsen.

Leidschendam
De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.Winsemius
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J. F.Scherpenhuizen
De minister van Economische Zaken, G. M. V. vanAardenne

Bijlage

Voorschriften voor de meting van de geluidproduktie van bromfietsen

1

Begripsomschrijving

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

bromfietscategorie I:

een bromfiets geconstrueerd voor een snelheid hoger dan 25 km per uur,

bromfietscategorie II:

een bromfiets geconstrueerd voor een snelheid niet hoger dan 25 km per uur.

2

Geluidseisen

De geluidsniveaus van de onder 1 bedoelde bromfietsen, gemeten overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige voorschriften, mogen bij de typekeuring de volgende grenswaarden in dB(A) niet overschrijden:

bromfietscategorie I

72

95

bromfietscategorie II

66

88

3

Meetapparatuur

3.1

Specificatie

Voor de geluidsmetingen bij de typekeuring wordt gebruik gemaakt van een meetinstrument dat voldoet aan de voorschriften voor type 1 als omschreven in de IEC-publikatie 651, eerste editie, 1979.

3.2

Meterinstelling

Het meetinstrument dient tijdens de metingen zodanig te zijn ingesteld, dat de integratietijd overeenkomt met die van RMS-fast (F) volgens de IEC-publikatie genoemd in punt 3.1.

3.3

Metercontrole

Aan het begin en einde van iedere serie metingen wordt de geluidniveaumeter volgens de aanwijzingen van de fabrikant gecontroleerd met behulp van een geschikte geluidbron. Indien bij de controle vóór en na de meetserie afwijkingen van meer dan 1 dB worden geconstateerd, is die meetserie ongeldig.

4

Meetomstandigheden

4.1

Algemeen

Tijdens de metingen moet het A-gewogen geluidsniveau van andere geluidsbronnen dan die van de beproefde bromfiets, waaronder die ten gevolge van de wind, minstens 10 dB lager zijn dan het door de bromfiets geproduceerde geluidsniveau. Dit wordt gecontroleerd door de vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De microfoon mag worden voorzien van een geschikte windkap, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid en de richtkarakteristieken van de microfoon.

4.2

Metingen aan een rijdende bromfiets

Het proefterrein moet bestaan uit een parcours dat is omgeven door een nagenoeg vlak terrein. Het proefparcours moet nagenoeg waterpas zijn en de rijbaan droog, terwijl deze zodanig moet zijn aangelegd dat bij het rijden de banden weinig geluid maken.

Het proefterrein mag tussen de geluidsbron en de microfoon tot 1dB afwijken van de voor een vrij geluidveld geldende voorwaarden. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, wanneer zich binnen een straal van 50 m rond het middelpunt van het proefparcours geen grote geluidreflecterende vlakken bevinden, zoals omheiningen, rotsen, bruggen of gebouwen. De bodem van het terrein moet binnen een straal van ten minste 10 m rond het middelpunt van het parcours bestaan uit hard materiaal, zoals beton, asfalt of iedere andere materiaalsoort met gelijkwaardige geluideigenschappen.

Het oppervlak mag niet bedekt zijn met poedersneeuw, hoog gras, mulle grond of as. Er mag zich geen enkel obstakel in de buurt van de microfoon bevinden, dat het geluidveld kan beïnvloeden, en er mag zich niemand tussen de microfoon en de geluidbron opstellen.

De persoon die de meetapparatuur afleest moet zich zodanig opstellen dat hij op geen enkele wijze afwijkingen in de aanwijzing van het meetapparaat veroorzaakt.

4.3

Metingen aan een stilstaande bromfiets

De meting geschiedt in een omgeving zonder storende reflecties. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan wanneer zich binnen een straal van twee meter van de microfoon geen voor de metingen niet noodzakelijke personen of voorwerpen bevinden. De bromfiets moet staan op een bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt of tegels.

5

Toestand van de bromfiets

De bromfiets moet zich voor de metingen bevinden in bedrijfsklare toestand.

6

Meetmethode

6.1

Metingen aan een rijdende bromfiets

Voor de metingen aan de rijdende bromfiets gelden de volgende bepalingen:

6.2

Metingen aan een stilstaande bromfiets

Voor de metingen aan de stilstaande bromfiets gelden de volgende bepalingen:

7

Meetresultaten

Als meetwaarden worden beschouwd de hoogste afgelezen waarden verminderd met 1 dB. overeenkomstig de punten 6.1.6. en 6.2.4.

Figuur

1

Figuur

2