Regeling grondverwerving in Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën

Minister van Landbouw en Visserij,

Besluit:

Artikel

1

Voor de toepassing van de regeling wordt verstaan onder:

a.
landbouw:

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw,

  • daaronder begrepen champignonteelt, fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen

  • en elke andere tak van bodemcultuur met uitzondering van de bosbouw;

b.
grond:

grond in gebruik ter uitoefening van de landbouw met uitzondering van de grond waarop de gebouwen staan en van het bij die gebouwen behorende erf;

c.
bedrijf:

landbouwbedrijf;

d.
bureau:

bureau beheer landbouwgronden, bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248);

e.
directeur:

directeur van de Landinrichtingsdienst;

f.
pachtwaarde:

door of namens de directeur vastgestelde pachtwaarde per jaar van de aan het bureau in eigendom overgedragen grond;

h.
minister:

minister van Landbouw en Visserij;

i.
centrale commissie:

Centrale Landinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299);

j.
herinrichtingscommissie:

herinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet;

k.
lijst van rechthebbenden:

lijst van rechthebbenden, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet;

l.
pachtregistratie:

registratie van de pachtovereenkomst, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet;

m.
blok:

blok, bedoeld in artikel 1 van de wet;

n.
herinrichtingsplan:

herinrichtingsplan, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet;

o.
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën:

het gebied Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën bedoeld in artikel 1 van de wet.

Artikel

2

Artikel

3

De grond dient te behoren tot een bedrijf, waarvan op het tijdstip van de aanvrage ten minste 50% van de oppervlakte in het blok of het gebied, bedoeld in artikel 2, is gelegen.

Artikel

4

Artikel

5

Voor zover de tot het bedrijf van de gebruiker behorende gebouwen niet aan het bureau worden verkocht, dienen deze, behoudens ontheffing door de directeur, aan het gebruik voor de landbouw te worden onttrokken.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Indien de gebruiker of diens echtgenoot het in artikel 7 bepaalde overtreedt kan de toeslag worden teruggevorderd, verhoogd met een boete van 10% van de toeslag voor elk jaar of gedeelte van een jaar, vallende tussen het tijdstip van de toekenning van de toeslag en dat van de terugvordering daarvan.

Artikel

10

Indien het voornemen bestaat aan de gebruiker een toeslag toe te kennen wordt tussen de Staat en de gebruiker een overeenkomst gesloten, waarin de rechten en verplichtingen van partijen worden vastgelegd.

Artikel

11

Artikel

12

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag van haar bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant en werkt terug tot en met 15 oktober 1985.

's-Gravenhage
De minister van Landbouw en Visserij,
Voor deze,
De plv. secretaris-generaal, T. H. J.Joustra