De artikelen 1 tot en met 3 van dit besluit zijn uitsluitend van toepassing op de persoon wiens dagloon of grondslag vermeerderd met het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven anders dan de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt, minder bedraagt dan het voor hem van toepassing zijnde norminkomen als bedoeld in artikel 2 van de Toeslagenwet
Voor de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Toeslagenwet wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld een aanvulling op de loondervingsuitkering op grond waarvan aanspraak op toeslag wordt gemaakt.
Artikel
3
1
In afwijking van artikel 2 wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld al het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van de persoon die aanspraak maakt op toeslag, indien die persoon:
a.
niet volledig werkloos is en zijn dagloon niet verlaagd is naar evenredigheid van de verloren arbeidsuren, of
recht heeft op een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80–100%.
2
Indien de toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de toeslag minder bedraagt dan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop, wordt de gelijkstelling als bedoeld in het eerste lid zodanig beperkt, dat de toeslag gelijk is aan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop.
Artikel
4
Dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst, treedt in werking met ingang van 1 januari 1987.