Vergoedingsregeling tijdelijke WWV-vervangende uitkering lagere overheden

De minister van Binnenlandse Zaken,
Overwegende, dat het wenselijk is aan de lagere overheden de uitkeringen gedaan aan gewezen personeel op grond van een verordening die de per 1 januari 1987 vervallen aanspraken op een uitkering in de zin van de tot die datum geldende Wet Werkloosheidsvoorziening vervangt, voor het jaar 1987 te vergoeden;
Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 2 september 1987, nr. 6749 RGF 177/38, en van het Interprovinciaal Overleg (IPO I) van 27 augustus 1987, nr. I 1151b/87;

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
de minister:

de minister van Binnenlandse Zaken;

b.
de lagere overheden:

1. de gemeenten, de provincies en de waterschappen; 2. de organen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. 1984, 669), de Wet Havenschap Delfzijl (Stb. 1957, 373), de Wet Havenschap Vlissingen (Stb. 1970, 457) en de Wet Havenschap Terneuzen (Stb. 1971, 252);

c.
de uitkeringsverordening:

de door een lagere overheid vastgestelde verordening die overeenkomt met de Tijdelijke regelingWWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400);

d.
de uitkering:

het op grond van een uitkeringsverordening betaalde bedrag betrekking hebbend op het jaar 1987, verhoogd met de ter zake verschuldigde werkgeverslasten, verminderd met de Inhouding als bedoeld in de Inhoudingswet overheidspersoneel 1982 (Stb. 1981, 759) en het bijdrageverhaal als bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540);

e.
de werkgeverslasten:

de door de lagere overheid ter zake van een uitkering verschuldigde werkgeverspremies sociale verzekeringen en de werkgeversbijdrage in een publiekrechtelijke ziektekostenregeling of in een daarmede vergelijkbare voorziening, alsmede de ter zake aan het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verschuldigde wachtgeldtijdbijdrage.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

's-Gravenhage
De minister van Binnenlandse Zaken, C. P. vanDijk