Het c.s.e
2.1. De leesvaardigheid: tekstbegrip of intensief lezen
De kandidaten moeten de essentiële informatie - d.w.z. de hoofdzaken en de belangrijkste details - kunnen begrijpen die hun wordt aangeboden in (nagenoeg) authentieke teksten die voldoen aan de volgende voorwaarden: - ze moeten vallen binnen de sfeer van onderwerpen die aansluiten bij de eigen belangstelling en toekomst en het eigentijdse maatschappelijk gebeuren voor zover dat aansluit bij de eigen belevingswereld.
Voor de lijst van onderwerpen zie het examenprogramma.
- de hoofdzaken en belangrijkste details ervan moeten door de kandidaten begrepen kunnen worden op basis van een beheersing van vocabulaire en structuren die voor de genoemde onderwerpen geëigend zijn voor deze kandidaten.
De teksten kunnen bestaan uit
- informatieve brieven, brochures en handleidingen
- brieven van meer persoonlijke aard
- teksten uit kranten, periodieken en boeken (voor de onderwerpen zie uitwerking)
- veel gebruikte verkeersaanduidingen en openbare mededelingen
- menu's van eenvoudige eetgelegenheden.
Het s.o
2.2.1. De gespreksvaardigheid
De kandidaten moeten in kleine kring een informeel gesprek kunnen voeren. In zo'n gesprek moeten aan de orde kunnen komen de onderwerpen, de taalfuncties en de rollen zoals die in het examenprogramma genoemd worden. De kandidaten moeten in zo'n gesprek zodanig functioneren dat wat zij willen uitdrukken zonder veel moeite begrijpbaar is voor gesprekspartners die de vreemde taal beheersen als moedertaal of op een daarmee vergelijkbaar niveau. Dit impliceert een behoorlijk gebruik van woorden en structuren, een redelijk spreektempo, voldoende inhoudelijke nauwkeurigheid en een acceptabele uitspraak.
De gesprekspartners moeten zich niet gedwongen zien zich bovenmatig in te spannen door veelvuldige herhaling dan wel het aanhouden van een spreektempo dat beneden normaal-langzaam ligt.
De scholen kunnen gebruik maken van door het CITO vervaardigde, op communicatieve basis opgezette spreekvaardigheidstoetsen.
2.2.2. De leesvaardigheid: extensief of globaal lezen
De kandidaten moeten kunnen aantonen dat zij de opgegeven boeken en, voor zover van toepassing, de serie(s) artikelen gelezen hebben. Dit moet met betrekking tot de boeken o.a. blijken uit hun vertrouwdheid met de hoofdpersonen en het bekend zijn met de grote lijnen en de hoofdzaken van het verhaal. Met betrekking tot de artikelen moet dit blijken doordat de kandidaten in grote lijnen de inhoud van de artikelen kunnen aangeven, en de artikelen die op één onderwerp betrekking hebben met elkaar kunnen vergelijken.
Dit gedeelte van het schoolonderzoek kan eventueel in het Nederlands worden afgenomen.
De omvang en de keuze van de boeken en de tijdschriften is ter beoordeling van de school. Een boek dient een afgeronde eenheid te vormen; losse fragmenten of hoofdstukken kunnen niet als boek worden beschouwd. De boeken en artikelen dienen zo gekozen te worden, dat het vocabulaire de eerste 2000 woorden (C-niveau) respectievelijk 3000 woorden (D-niveau) van de gangbare frequentielijsten niet te boven gaat.
Met dit onderscheid - 2000 woorden voor C, 3000 woorden voor D - is een poging gedaan een expliciet kwantitatief verschil aan te brengen tussen de beide niveaus. Het gebruik van frequentielijsten is hierbij de meest aangewezen benadering. Toch kan hiermee geen volledig expliciet criterium voor de keus van boeken en artikelen worden aangereikt. Niet alleen zijn er verschillende frequentielijsten in zwang, die elkaar goeddeels maar niet volledig overlappen, en die elk op zich op goede gronden te verdedigen zijn, maar ook kan men natuurlijk van geen enkel boek of artikel verwachten dat alle 2000 of 3000 woorden van een frequentielijst er in voorkomen.
De gebruikte woordenschat van een boek op C-niveau dient de grens van 2000 niet te boven te gaan; van een D-boek mag worden geëist dat er woorden in voorkomen van de tranche 2000-3000. De woorden die de gemiddelde leerling uit de context kan opmaken zijn hierin begrepen. De getallen moeten worden beschouwd als globale streefgetallen.
Met nadruk zij gesteld dat het hier gaat over het vocabulaire bij de receptieve vaardigheid lezen.
Extensief lezen is in het s.o. opgenomen om 2 redenen:
- het lezen van boeken en artikelen is zo belangrijk door het leerversterkend effect dat er van uit gaat dat dit onderdeel - dat niet centraal geëxamineerd kan worden - door alle scholen in het schoolonderzoek dient te worden opgenomen.
- scholen krijgen zo de mogelijkheid beroepsgerichte elementen in het s.o. onder te brengen.
2.2.3. De schrijfvaardigheid
De kandidaten moeten eenvoudige brieven kunnen schrijven:
- met b.v.:
-
verzoeken om informatie over verblijfsmogelijkheden (jeugdherberg, kampeerplaats, hotel);
-
verzoeken om inlichtingen omtrent prijs en voorwaarden van dit verblijf;
-
wensen ten aanzien van dit verblijf (duur, voorzieningen, uitzicht);
-
verzoeken om inlichtingen over toeristische attracties en bezienswaardigheden;
-
verzoeken om de nodige reserveringen te maken;
- waarin zij sociaal contact onderhouden als gevolg van eerder gemaakte contacten;
- waarmee zij nieuwe sociale contacten proberen te leggen;
- waarmee zij reageren op advertenties die nauw te maken hebben met één of meer van de onderwerpen genoemd in hoofdstuk B, de uitwerking, onder punt 2.1.;
Scholen die dit wensen kunnen eenvoudige beroepsgerichte onderwerpen aan de orde stellen.
De kandidaten moeten eveneens de formulieren kunnen invullen die nodig zijn in verband met overnachtingen, het binnenkomen en verlaten van een vreemd land, enz.
Het verdient aanbeveling de schrijfvaardigheidstoetsen te gebruiken die door het CITO ontwikkeld zijn.
2.2.4. De luistervaardigheid
Kandidaten moeten kunnen verstaan en begrijpen:
-
de hoofdzaken en de belangrijkste details van:
-
de meest waarschijnlijke reacties op door henzelf aangesneden zaken of zelf gegeven antwoorden;
-
de meest waarschijnlijke antwoorden op eigen vragen;
-
vragen die anderen stellen over de onderwerpen genoemd in het examenprogramma;
-
informatie in brede zin - waaronder oordelen, gevoelens enz. - door anderen over deze onderwerpen gegeven;
-
de teksten van de meest voorkomende bekendmakingen via geluidssystemen op vliegvelden, stations, e.d.
-
waarschuwingen zoals: Kijk uit; Voorzichtig; Stop; Schiet op;
-
talige omgangsvormen.
Dit alles geldt uitsluitend wanneer gesproken wordt:
-
door sprekers die de vreemde taal beheersen als moedertaal of op een daarmee vergelijkbaar niveau;
-
in de standaardtaal met een standaardaccent, een licht streekaccent, een licht buitenlands accent of een accent dat sociaal-economisch enigszins gekleurd is;
-
met een normaal, niet te snel spreektempo;
-
met een woord- en structuurgebruik dat het mogelijk maakt de hoofdzaken en belangrijkste details te begrijpen op basis van een beheersing van vocabulaire en structuren die voor de onderwerpen genoemd in de uitwerking geëigend zijn voor deze kandidaten;
-
onder goede akoestische omstandigheden.
Communicatie kan slechts als doeltreffend beschouwd worden indien bovenbedoelde sprekers niet gedwongen worden zich bovenmatig in te spannen door veelvuldige herhaling danwel het aanhouden van een spreektempo dat beneden normaal-langzaam ligt.
Het verdient aanbeveling de jaarlijks door het CITO geproduceerde luistertoetsen te gebruiken voor de toetsing van luistervaardigheid.