C- en D- eindexamenprogramma's voor Nederlandse taal en moderne vreemde talen

C- en D- eindexamenprogramma's voor Nederlandse taal en moderne vreemde talen

De staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
Mede namens de minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 11 van het Eindexamenbesluit dagscholen v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Staatsblad 1979, 190, zoals sindsdien gewijzigd), artikel 3, tweede lid, van het Eindexamenbesluit l.b.o. (Staatsblad 1976, 31, zoals sindsdien gewijzigd) en artikel 13, tweede lid, van het Eindexamenbesluit avondscholen v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (Staatsblad 1979, 189, zoals sindsdien gewijzigd);
Gezien het advies van de Onderwijsraad van 26 februari 1985, O.R. 624 S,

Besluit:

Zoetermeer
De staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen,
mede namens de minister van Landbouw en Visserij,N. J. Ginjaar-Maas

Bijlage

Eindexamenprogramma Moderne Vreemde Talen c- en D-niveau in l.b.o. en m.a.v.o. (Duitse taal, Engelse taal, Franse taal, Spaanse taal)

A

Programma

1

De onderdelen van het examen

1.1. Het centraal schriftelijk examen

Dit omvat leesvaardigheid (intensief lezen).

1.2. Het schoolonderzoek

Dit omvat de onderdelen:

1.2.1. gespreksvaardigheid

1.2.2. leesvaardigheid (extensief lezen)

1.2.3. schrijfvaardigheid

1.2.4. luistervaardigheid.

2

Vorm en tijdsduur van het examen

2.1. Het centraal schriftelijk examen leesvaardigheid wordt getoetst aan de hand van objectief scoorbare vragen.

Duur van het examen: 2 uur.

2.2. Het schoolonderzoek

2.2.1. Het onderzoek naar de gespreksvaardigheid bestaat ten minste uit: een voorgestructureerd gesprek waarbij aan de kandidaat enkele situaties worden aangeboden waarop hij zodanig moet reageren dat diverse taalfuncties aan de orde komen. Vóór het gesprek is het onderwerp ervan bekend bij de kandidaat.

2.2.2. Het onderzoek naar de leesvaardigheid heeft betrekking op een aantal gelezen boeken, resp. artikelen.

2.2.3. Het onderzoek naar de schrijfvaardigheid omvat ten minste het schrijven van een brief naar aanleiding van verstrekte gegevens.

2.2.4. Het onderzoek naar de luistervaardigheid omvat ten minste een luistertoets.

B

Uitwerking van het examenprogramma moderne vreemde talen C/D-niveau

1

Opmerking vooraf

De beide niveaus onderscheiden zich door:

- kwantitatieve verschillen (meer onderwerpen en meer boeken resp. artikelen bij het D-niveau, grotere receptieve woordenschat)

- kwalitatieve verschillen (meer diepgang, hoger abstractie-niveau, meer nuancering bij het D-niveau).

2

Het examen algemeen

2.1. De onderwerpen

De C- en D-kandidaten moeten in ieder geval met de volgende onderwerpen vertrouwd zijn in de vreemde taal:

- persoonlijke omstandigheden (persoonlijke gegevens, familie, vrienden);

- huis, tuin en keuken;

- gezinsleven;

- onderwijs en toekomstig beroep;

- vrije tijd en ontspanning;

- reizen (garage, benzinestation);

- gezondheid en welzijn;

- winkelen;

- eten en drinken;

- het weer;

- oriëntatie (vragen naar en informeren over de weg, ook aan de hand van een plattegrond);

- diensten (PTT, bankzaken, politie, V.V.V.).

Voor de D-kandidaten komen daarbij:

- betrekkingen met anderen (vriendschap-antipathie; uitnodigingen en reacties daarop; politieke en sociale zaken);

- de vreemde taal zelf (eenvoudige reflectie over het gebruik daarvan door spreker zelf en door anderen).

2.2. De taalfuncties

De taalfuncties die de kandidaten moeten beheersen zijn de volgende:

- feitelijke informatie geven en vragen en verstrekte informatie begrijpen;

- meningen geven, daarnaar vragen en gegeven meningen begrijpen;

- emoties uitdrukken, daarnaar vragen en in taal uitgedrukte emoties begrijpen;

- morele oordelen uitdrukken, ernaar vragen en gegeven oordelen talig begrijpen;

- iets gedaan proberen te krijgen, vragen naar en begrijpen van wat iemand met behulp van taal probeert gedaan te krijgen;

- in taal uitgedrukte sociale omgangsvormen juist interpreteren en zelf hanteren, d.w.z. op de juiste wijze en in de juiste context deze uitdrukkingen gebruiken en interpreteren.

2.3. Het taalmateriaal

Het taalmateriaal dat in het centraal schriftelijk examen en in het schoolonderzoek gebruikt wordt dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

- het moet vallen binnen de sfeer van onderwerpen die aansluiten bij de eigen belangstelling en de toekomst van de kandidaten en het eigentijdse maatschappelijk gebeuren voor zover dat aansluit bij de eigen belevingswereld;

- de hoofdzaken en belangrijkste details ervan moeten door de kandidaten begrepen kunnen worden op basis van een beheersing van vocabulaire en structuren die voor de genoemde onderwerpen geëigend zijn voor deze kandidaten.

Het verschil tussen het C- en D-materiaal is gelegen in de moeilijkheidsgraad, het onderwerp, de wijze van behandeling, het abstractie-niveau, het gebruikte idioom en de complexiteit.

3

De onderdelen van examen

3.1. Het centraal schriftelijk examen

3.1.1. De leesvaardigheid (intensief lezen)

Het onderdeel dat in het c.s.e. getoetst wordt is het intensief lezen, ook wel tekstbegrip genoemd. De kandidaten moeten de essentiële informatie - d.w.z. de hoofdzaken en de belangrijkste details - kunnen begrijpen die hun wordt aangeboden op basis van een aantal authentieke teksten.

3.2. Het schoolonderzoek

3.2.1. De gespreksvaardigheid

In een voorgestructureerd gesprek dat een duur heeft van tenminste 15 minuten, worden aan de kandidaten een aantal functionele situaties voorgelegd die zich - op de beginsituatie na - stuk voor stuk ontwikkelen uit de voorafgaande situatie, dan wel geen directe logische samenhang vertonen. In elke situatie moet de kandidaat zich inleven, en zich voorstellen dat hij/zij zelf in die situatie geraakt is. De onderwerpen van het gesprek dienen van te voren aan de kandidaat bekend te zijn (zie hiervoor B.2.1.). De examinator vervult de rol van de meestal wisselende tegenspeler in de verschillende situaties. Door het stellen van gerichte vragen bepaalt de examinator de structuur van het gesprek; daarbij dienen verschillende taalfuncties en rollen aan de orde te komen. De situaties dienen zodanig gekozen te worden dat de kandidaat er zich ook gemakkelijk in kan inleven. Bij de beoordeling van gespreksvaardigheid gelden twee criteria: begrijpelijkheid en formele correctheid. Ten aanzien van het tweede criterium worden op D-niveau hogere eisen gesteld dan op C-niveau.

3.2.2. De leesvaardigheid (extensief lezen)

De C-kandidaten moeten minstens 3 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 2000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten. De D-kandidaten moeten minstens 4 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 3000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten.

Het is de kandidaat toegestaan één of meer van de voorgeschreven boeken te vervangen door één of meer series artikelen e.d., mits het geheel qua geleverde prestatie redelijkerwijze overeenstemt met de bedoelde boeken. Scholen die dit wensen kunnen daarnaast tevens leesvaardigheid toetsen aan de hand van beroepsgerichte teksten. Hiervoor komen in aanmerking artikelen uit tijdschriften; afgeronde eenheden uit instructieboeken, al dan niet voorzien van illustraties; gebruiksvoorschriften enz. Deze scholen kunnen hiermee hun onderwijs in de vreemde talen nog meer doen aansluiten bij de interesse en toekomstige behoeften van hun leerlingen. Het onderzoek naar leesvaardigheid in het schoolonderzoek dient vast te stellen of en in hoeverre boeken en/of artikelen gelezen zijn. Bij dit onderzoek, dat schriftelijk of mondeling kan worden uitgevoerd, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat elementen van spreek- of schrijfvaardigheid bij de beoordeling van leesvaardigheid betrokken worden.

3.2.3. De schrijfvaardigheid

De kandidaten moeten een eenvoudige niet-beroepsgerichte brief schrijven in antwoord op een zogenaamd aan hen gerichte, informele brief in de vreemde taal, of als reactie op een advertentie in die taal, of als reactie op een hun voorgelegde situatie. Deze situatie moet duidelijk in het nederlands beschreven zijn, en de kandidaten moeten er zichzelf gemakkelijk in kunnen verplaatsen. De door de kandidaten te schrijven brief moet worden opgesteld met behulp van in het Nederlands gestelde functionele opdrachten. Indien een school het noodzakelijk vindt dat haar kandidaten een eenvoudige beroepsgerichte brief kunnen schrijven, dan heeft zij de vrijheid deze brief in het s.o. onder te brengen. Scholen kunnen een onderzoek instellen naar de deelvaardigheid grammaticale en idiomatische kennis. Dit onderzoek dient in een communicatieve context plaats te vinden.

Het cijfer voor schrijfvaardigheid dient voor het belangrijkste deel door de brief bepaald te worden.

Bij de beoordeling van de brief gelden drie criteria. Hoofdcriterium zal zijn de doeltreffendheid van de communicatie, d.w.z. dat een lezer die de vreemde taal beheerst als moedertaal of op een daarmee vergelijkbaar niveau, de schrijver zonder veel moeite moet kunnen begrijpen. Tweede criterium zal zijn in hoeverre de kandidaat is ingegaan op de hoofdzaken en de belangrijkste details in de te beantwoorden brief. Het derde criterium betreft de correctheid van taalgebruik. Met name ten aanzien van dit laatste criterium worden op D-niveau zwaardere eisen gesteld dan op C-niveau.

3.2.4. De luistervaardigheid

De luistervaardigheid wordt getoetst door na te gaan in hoeverre de kandidaat de hoofdzaken en de belangrijkste details uit een aantal fragmenten van authentieke spreektaal, gesproken door "native speakers" of sprekers die de vreemde taal op een daarmee vergelijkbaar niveau beheersen, heeft begrepen. Het beroep op het geheugen blijft bij de toetsing van deze vaardigheid zoveel mogelijk beperkt.

C

Verantwoording van programma en uitwerking

1

Algemeen

Als hoofddoelstelling van het onderwijs in de moderne vreemde talen op C- en D-niveau geldt het kunnen communiceren in de vreemde taal. Het examenprogramma berust op deze visie op het onderwijs in moderne vreemde talen. Het moderne vreemde talen-onderwijs in de eerste fase van het voortgezet onderwijs dient functioneel/communicatief gericht te zijn. Derhalve zal ook het examen dezelfde gerichtheid moeten vertonen. Dit betekent in de eerste plaats, dat ook voor de vorm en de inhoud van de examens geldt, dat de huidige en toekomstige behoeften van de leerlingen met betrekking tot de vreemde taal het uitgangspunt vormen. Het wil verder zeggen, dat de beheersing van en de vertrouwdheid met de vreemde taal wordt getoetst in zoveel mogelijk levensechte situaties waarin de kandidaten zich kunnen herkennen, resp. waarmee zij zich kunnen identificeren. Deze situaties zijn beperkt voor wat betreft het aantal onderwerpen dat aan bod komt, de rollen die de kandidaten moeten kunnen vervullen, het vocabulaire en de structuren vereist voor het vervullen van de taalfuncties, doch niet voor wat betreft het aantal taalfuncties dat zij produktief en receptief moeten beheersen.

Goede voorbeelden van in het examenprogramma aangegeven onderwerpen, rollen en functies, geschikt voor C- en D-kandidaten, zijn te vinden in: dr. J. A. van Ek, "The Threshold Level of Modern Language Learning in School", Council of Europe, Strasbourg 1976, WNL Groningen 1977, Chapter 3, I, II, III.

In de hierna volgende paragrafen zullen de doelstellingen van het onderwijs in de moderne vreemde talen nader worden uitgewerkt. Daarbij wordt in het algemeen geen onderscheid tussen C- en D-niveau gemaakt. De beide niveaus onderscheiden zich namelijk niet zo zeer wat de doelstellingen betreft als wel door

- kwantitatieve verschillen (meer onderwerpen en meer boeken resp. artikelen bij D, grotere receptieve woordenschat)

- kwalitatieve verschillen (meer diepgang, hoger abstractieniveau, meer nuancering bij D).

2

Uitwerking van de doelstellingen per deelvaardigheid