Instelling commissie ontwikkeling wiskunde-onderwijs 1e fase v.o.
Besluit:
1
Er wordt een commissie ontwikkeling wiskunde-onderwijs eerste fase voortgezet onderwijs ingesteld voor de periode 13 november 1986 tot 1 augustus 1992.
2
Deze commissie heeft de volgende taken:
-
a.
een advies aan mij uit te brengen in de vorm van eindtermen wiskunde bijlage bij deze beschikking;
-
b.
een advies aan mij uit te brengen in de vorm van een concept-leerplan wiskunde voor l.b.o., m.a.v.o., de eerste drie leerjaren h.a.v.o. en v.w.o., een en ander gelet op de eindtermen voor wiskunde basisvorming;
-
c.
een advies aan mij uit te brengen in de vorm van een examenprogramma wiskunde voor l.b.o. en m.a.v.o., C- en D-niveau;
-
d.
aan te geven welke aanpassingen in de opleiding en nascholing van docenten wiskunde nodig zijn als gevolg van de onder a. b. en c. genoemde adviezen.
3
De commissie is samengesteld uit:
-
een voorzitter;
-
gewone leden tot een maximum van twee en twintig, te weten;
-
drie vanuit het Instituut voor Leerplanontwikkeling;
-
twee vanuit de Nederlandse Vereniging tot Ontwikkeling van het Reken/Wiskunde-onderwijs;
-
een vanuit het Instituut voor Onderwijsonderzoek;
-
twee vanuit de vakgroep Onderzoek Wiskunde-onderwijs en Onderwijs Computercentrum;
-
twee vanuit ‘Vrouwen en Wiskunde’;
-
een vanuit het Instituut voor Toetsontwikkeling;
-
twee vanuit de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren;
-
een vanuit de Vereniging Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra;
-
een vanuit het Nederlands Genootschap voor Opleiding Leraren in het Beroepsonderwijs;
-
zeven op persoonlijke titel;
-
een waarnemer op voordracht van de Groep Educatieve Uitgeverijen;
-
waarnemers namens het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen;
-
een permanent adviseur.
Het secretariaat van de commissie zal worden gevoerd door de SLO.
4
De commissie neemt bij de uitoefening van haar taak het volgende in acht:
-
a.
de centrale coördinatie van de werkzaamheden berust bij de commissie; de taakstellingen van de verschillende instellingen als aangegeven in de Wet op de onderwijsverzorging en de Wet op het hoger beroepsonderwijs worden daarbij gerespecteerd;
-
b.
de commissie stelt voor de hele periode een werkplan op, op grond waarvan de bij de uitvoering betrokken partners zich binden aan de centrale coördinatie;
-
c.
de commissie legt mij jaarlijks een voortgangsrapportage voor waarin de stand van zaken wordt beschreven en de planning voor het volgend jaar wordt aangegeven;
-
d.
de commissie sluit haar werkzaamheden af met een eindrapport bestaande uit de onder 2. genoemde produkten;
-
e.
de commissie brengt een eerste versie van het onder 2a. genoemde advies voor 1 juli 1988 aan mij uit.
7
Jaarlijks wordt aan de commissie een budget toegekend voor voorbereidingsactiviteiten en uitvoeringsactiviteiten in het kader van de onder 2. genoemde opdracht.
Jaarlijks voor 1 april dient de commissie tezamen met de voortgangsrapportage een begroting alsmede een rekening en verantwoording over het voorgaande jaar in.