de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting van uithuisplaatsing noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van een uithuisplaatsing minder dan een half jaar tevoren plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening noodzakelijk is;
c.
jeugdhulpverlening:
activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden;
d.
steunfunctie:
een aanbod van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van jeugdhulpverlening;
e.
voorziening:
een aanbod van jeugdhulpverlening of een steunfunctie;
f.
uitvoerder:
degene die een voorziening in stand houdt;
g.
voorziening van residentiële hulpverlening:
een voorziening waarbij een jeugdige wordt opgenomen in een tehuis waarin dag en nacht hulp wordt geboden.
h.
voorziening van semi-residentiële hulpverlening:
een voorziening waarbij een jeugdige regelmatig gedurende een deel van een etmaal in een daartoe bestemde inrichting verblijft;
een ambulante instelling die is erkend op grond van de erkenningsregeling;
l.
de begeleidingscommissie:
de Begeleidingscommissie jongeren bouwen voor jongeren ingesteld bij Besluit van de minister van 22 december 1988, DJB-U-3752.
Artikel
2
Een voorziening komt slechts voor subsidie in aanmerking indien de uitvoerder:
a.
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is, zijn zetel heeft in Nederland en noch direct noch indirect beoogt winst te maken;
b.
aannemelijk heeft gemaakt dat hem met inbegrip van het subsidie, voldoende financiële middelen ter beschikking zullen staan om de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren;
c.
een zodanige werkwijze toepast dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de doelen waarvoor het subsidie wordt verleend kunnen worden bereikt;
d.
ook overigens voldoet aan het in deze regeling bepaalde.
Artikel
3
1
Subsidie wordt slechts verleend indien de voorziening voldoet aan de eisen die met betrekking tot de kwaliteit ten aanzien van de desbetreffende categorie van voorzieningen zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2
Subsidie wordt ten behoeve van een jeugdige slechts verleend indien degene die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig is, zich heeft verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden.
3
Subsidie wordt ten behoeve van een minderjarige jeugdige niet verleend indien diens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4
Indien het betreft hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening aan een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming daar is geplaatst ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.
Artikel
4
Subsidie wordt slechts verleend voorzover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan.
Hoofdstuk
II
Grondslag voor de vaststelling van het exploitatiesubsidie
Artikel
5
1
Het subsidie ten behoeve van een voorziening, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel A van de bij deze regeling behorende bijlage 2 bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12 uit het bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.
2
Ten aanzien van voorzieningen, behorend tot een categorie opgenomen in onderdeel B van de bij deze regeling behorende bijlage 2, bestaat, onverminderd het bepaalde in artikel 12 het subsidie uit de som van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten van huisvesting tot een door de minister vastgesteld maximum en een bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal subsidiabel gestelde eenheden als omschreven in die bijlage met het voor de desbetreffende eenheid overeenkomstig die bijlage vastgestelde normbedrag.
3
De minister kan in bijzondere gevallen bepalen dat het subsidie in afwijking van het eerste en tweede lid wordt verleend in de werkelijk gemaakte subsidiabel gestelde kosten tot een daarbij aan te geven maximum. Daarbij kan worden bepaald op welke wijze er voor welke doeleinden aan te wijzen vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het subsidie in aanmerking worden genomen.
Artikel
6
1
Het subsidie wordt vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar, waarop de aanvrage betrekking heeft, door de uitvoerder bij de minister aangevraagd door indiening van een begroting van baten en lasten met toelichting en een beleidsplan volgens een door de minister vast te stellen model.
2
De begroting geeft inzicht in aard, omvang, baten en lasten van de voorziening en van de totale baten en lasten van de uitvoerder. Zij is gebaseerd op de beslissing, bedoeld in artikel 7, met betrekking tot het lopende kalenderjaar, waarbij rekening wordt gehouden met de door de minister aangekondigde algemene of specifieke beleidswijzigingen.
3
Het beleidsplan geeft inzicht in de activiteiten die de voorziening in het desbetreffende jaar voornemens is te verrichten en bevat een globale beschrijving van de te hanteren werkwijze.
4
Indien voor een voorziening voor de eerste maal subsidie wordt aangevraagd dient de uitvoerder, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vóór 1 april van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft bij de minister in:
a.
een gewaarmerkt afschrift van de oprichtingsakte of de statuten;
b.
een bewijs van inschrijving van de uitvoerder in het desbetreffende openbare register van de Kamer van Koophandel;
c.
een volledig overzicht van de financiële toestand van de aanvrager.
5
Wijzigingen in de in het vierde lid, onder a en b, bedoelde gegevens worden terstond aan de minister overgelegd.
Artikel
7
1
De beslissing op een aanvraag wordt vóór 1 januari van het jaar waarvoor het subsidie is aangevraagd schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld.
2
De beslissing vermeldt het ten behoeve van de voorziening maximaal beschikbare subsidie voor het desbetreffende kalenderjaar.
3
In de gevallen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, vermeldt de beslissing bovendien de taak en functie waarvoor subsidie wordt verleend, het werkgebied, het aantal subsidiabel gestelde eenheden en in voorkomende gevallen de maximaal subsidiabel gestelde kosten van huisvesting.
Artikel
8
1
Op het subsidie kunnen voorschotten worden verleend. Een op het subsidie verleend voorschot wordt slechts besteed voor kosten die direct verband houden met de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor het subsidie wordt verleend.
2
Uit subsidiëring ontstane reserves worden slechts besteed voor kosten die direct verband houden met de uitvoering van activiteiten die bijdragen tot de realisering van de doelstelling van de voorziening waarvoor deze wordt gesubsidieerd, en die niet bestreden kunnen worden uit het voor het desbetreffende jaar toegezegde subsidie.
Artikel
9
1
Vóór 1 april van het jaar volgend op dat waarvoor een subsidie is toegezegd, zendt de uitvoerder aan de minister een jaarrekening en een verslag van de werkzaamheden over het voorafgaande jaar in volgens een door de minister vast te stellen model
2
Onder jaarrekening worden verstaan de balans en de exploitatierekening, alsmede de toelichting op deze stukken.
3
De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer. De historische aanschafprijzen van onroerende goederen en overige duurzame goederen, alsmede de kosten van verbouwing van deze goederen worden in de toelichting op de balans opgenomen. De afschrijvingen, bestemmingsgiften en ontvangen subsidies met betrekking tot deze posten komen in de toelichting op de balans tot uitdrukking. Jaarlijks wordt voor groot onderhoud niet meer gereserveerd dan 3% van het subsidie van het desbetreffende jaar. De reserve groot onderhoud gaat een maximum van 15% van het subsidie van het desbetreffende jaar niet te boven. Subsidie-overschotten worden als risicoreserve in de balans opgenomen.
4
De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer. Op onroerende goederen, verbouwing, inventarisgoederen en overige duurzame activa met een historische aanschaffingsprijs van meer dan duizend gulden wordt afgeschreven volgens de lineaire methode. De afschrijving is gebaseerd op de historische aanschaffingsprijs, nadat daarop ontvangen bestemmingsgiften en investeringssubsidies in mindering zijn gebracht. De afschrijving wordt voor onroerende goederen gespreid over veertig jaren, voor verbouwingen en overige duurzame activa over tien jaren en voor inventarisgoederen en vervoermiddelen over vijf jaren.
5
Bij de samenstelling van de jaarrekening wordt een bestendige gedragslijn gevolgd. De jaarrekening sluit aan op de ingediende begroting. Bij iedere post van de jaarrekening wordt zoveel mogelijk het bedrag van het voorafgaande boekjaar vermeld. In de toelichting worden de waarderingsgrondslagen van actief- en passiefposten vermeld. De jaarrekening bevat tevens bezettings- en plaatsingsgegevens.
Indien de voor een boekjaar begrote exploitatielasten minder dan f 600 000 bedragen en het totaal van de toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder dan f 300 000 bedraagt, kan worden volstaan met een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder e, van de Wet op de Accountants-administratieconsulenten. (Stb. 1972, 748)
3
De registeraccountant en de accountants-administratieconsulent rapporteren tevens omtrent de naleving van de voorschriften die aan het verlenen van het subsidie zijn verbonden.
4
Indien de voor het boekjaar begrote exploitatielasten minder dan f 100 000 bedragen en het totaal van de toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder dan f 50 000 bedraagt, zijn het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing.
Artikel
11
Het verslag van de werkzaamheden geeft een duidelijk inzicht in de aard en de omvang van de werkzaamheden die in het desbetreffende boekjaar zijn verricht. De verrichte werkzaamheden worden vergeleken met de voorgenomen werkzaamheden die in de begroting en het beleidsplan tot uitdrukking zijn gebracht.
Artikel
12
1
Na ontvangst van de bescheiden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt het subsidie, met inachtneming van beslissingen als bedoeld in artikel 7, vastgesteld overeenkomstig artikel 5 en schriftelijk aan de uitvoerder medegedeeld.
2
In de gevallen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, en artikel 20, eerste lid kan het niet uitgegeven gedeelte van het subsidie worden toegevoegd aan de risicoreserve. Het maximum van deze uit subsidie ontstane reserve, mag 5% van subsidie voor het desbetreffende jaar tot een bedrag van f 500 000 niet te boven gaan.
3
Bij de vaststelling van het subsidie worden bij een onderbezetting van meer dan 10% de variabele kosten voortvloeiend uit die onderbezetting in mindering gebracht. De variabele kosten voortvloeiend uit onderbezetting worden gesteld op een percentage van het subsidie, dit percentage wordt gesteld op:
capaciteit
× 50% , met een maximum
100
van 50% van het subsidie.
4
Indien blijkt dat voorschotten zijn besteed in strijd met deze regeling, wordt het subsidie verminderd met het desbetreffende bedrag.
5
Indien blijkt dat het subsidie tengevolge van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens is vastgesteld op een bedrag dat hoger is dan wanneer het zou zijn vastgesteld op grond van juiste en volledige gegevens wordt het subsidie opnieuw vastgesteld.
6
De uitvoerder stort teveel ontvangen voorschotten of subsidie terstond terug, tenzij verrekening op andere wijze geschiedt.
Artikel
13
Een beslissing tot beëindiging of vermindering van het subsidie, anders dan in verband met beleidswijzigingen, wordt slechts genomen nadat de uitvoerder in de gelegenheid is gesteld terzake te worden gehoord.
Hoofdstuk
IIa
Subsidie jongeren bouwen voor jongeren
Artikel
13a
Ten behoeve van een voorziening kan een investeringssubsidie worden verleend in de kosten van de bouw of verbouw van een accommodatie, volgens het in dit hoofdstuk bepaalde.
Artikel
13b
Een subsidie als bedoeld in artikel 13a wordt slechts verleend indien:
a.
de bij de bouw of verbouw werkzame arbeidskrachten ten minste voor de helft bestaan uit voordien werkloze jongeren beneden de leeftijd van 25 jaar;
b.
bij de aanstelling van werkloze jongeren voorrang wordt verleend aan jongeren met een kwetsbare arbeidsmarktpositie, waartoe worden gerekend:
1.
jongeren met een onafgemaakte opleiding in het voortgezet onderwijs;
2.
jongeren uit etnische minderheden;
3.
laaggeschoolde meisjes;
4.
jongeren die hebben deelgenomen aan het jeugdwerkgarantieplan;
c.
de selectie van de werkloze jongeren geschiedt met inschakeling van de Gewestelijke Arbeidsbureaus;
d.
met de werkloze jongeren een leerovereenkomst wordt aangegaan als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het leerlingwezen;
e.
het werk wordt uitgevoerd na openbare aanbesteding;
f.
de desbetreffende accommodatie doorlopend ter beschikking staan van de voorziening;
g.
wanneer het een gehuurde accommodatie betreft, de huurovereenkomst op het moment van subsidieverlening een resterende looptijd heeft van ten minste vijf jaar.
Artikel
13c
1
Het subsidie bedoeld in artikel 13a, bestaat uit de kosten van de bouw of verbouw. Tot de kosten van verbouw worden tevens gerekend de aanschaffingskosten van de te verbouwen accommodatie.
2
Op de kosten van de bouw of verbouw wordt dat deel van het eigen vermogen van de uitvoerder van de voorziening in mindering gebracht, dat redelijkerwijs kan worden besteed aan de bestrijding van de kosten.
Artikel
13d
1
Een accommodatie ten behoeve waarvan een subsidie als bedoeld in artikel 13a is verleend, wordt gedurende 5 jaar niet aan zijn bestemming onttrokken.
2
Een subsidie als bedoeld in artikel 13a, die meer bedraagt dan f 150 000 wordt slechts verleend indien de accommodatie eigendom is van de uitvoerder.
3
Indien een uitvoerder aan wie een subsidie als bedoeld in het tweede lid is verleend, de desbetreffende accommodatie aan zijn bestemming onttrekt is hij aan het rijk, tot het bedrag van het subsidie als bedoeld in artikel 13a, een vergoeding verschuldigd overeenkomstig artikel 15, tweede lid.
4
Een uitvoerder aan wie een subsidie als bedoeld in het tweede lid is verleend, verleent tot het bedrag van het subsidie bedoeld in artikel 13a, ten behoeve van het rijk een hypotheek op de desbetreffende accommodatie, tot zekerheid van de betaling van een ingevolge het derde lid en een ingevolge artikel 15 verschuldigde vergoeding.
Artikel
13e
1
De minister doet jaarlijks voor 1 juli voorafgaand aan het jaar waarop de aanvragen betrekking hebben mededeling in de Staatscourant van de beleidsuitgangspunten, die bij de beoordeling van aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13a, voor het daaropvolgende jaar zullen worden gehanteerd.
2
Een subsidie als bedoeld in artikel 13a, wordt bij de minister aangevraagd vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. De aanvraag omvat een globaal plan van de bouw of verbouw en een kostenraming.
3
De minister beslist, de begeleidingscommissie gehoord, vóór 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft over de subsidiabiliteit van het bouw- of verbouwproject.
4
Een uitvoerder wiens bouw- of verbouwproject subsidiabel is verklaard zendt vóór 1 april een uitgewerkt plan van de bouw of verbouw en een uitgewerkte kostenraming aan de minister.
5
Op een subsidie-aanvraag wordt door de minister vóór 1 juni van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft beslist. De beslissing wordt schriftelijk aan de uitvoerder medegedeeld. Zij vermeldt het subsidiebedrag.
Artikel
13f
De artikelen 9 en 10 zijn ten aanzien van de subsidieverlening als bedoeld in artikel 13a, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk
III
Administratieve bepalingen
Artikel
14
1
De administratie wordt op overzichtelijke wijze gevoerd en geeft een juist, volledig en actueel beeld van het functioneren van de voorziening.
2
Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.
3
Voor alle ontvangsten en uitgaven zijn deugdelijke bewijsstukken aanwezig, waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen en verrichte diensten blijken.
4
De administratie wordt gedurende een termijn van tien jaar bewaard.
Artikel
15
1
Indien de subsidiëring heeft bijgedragen tot het verwerven van eigendommen of anderszins tot de vorming van vermogen, is de uitvoerder aan het Rijk een door de minister vast te stellen vergoeding verschuldigd bij vervreemding van eigendommen, bij beëindiging van de activiteiten, bij beëindiging van de subsidiëring en bij ontbinding van de uitvoerder. In voorkomende gevallen doet hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister.
2
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.
Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3
Indien de activiteiten van de uitvoerder met toestemming van de minister door een andere uitvoerder worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die andere uitvoerder in eigendom worden overgedragen, is de uitvoerder ter zake in afwijking van het eerste lid geen vergoeding verschuldigd.
Artikel
16
1
Een uitvoerder verzekert zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegenover derden voor een som van één miljoen gulden per gebeurtenis en per geval.
2
Een uitvoerder verzekert zijn onroerende goederen tegen brandschade naar herbouwwaarde en zijn roerende goederen tegen brandschade en diefstal.
Hoofdstuk
IV
Bepalingen met betrekking tot de plaatsing
Artikel
17
1
Hulpverlening in een voorziening van residentiële, hulpverlening, met uitzondering van de medische kindertehuizen en de voorzieningen opgenomen in de bij deze regeling behorende lijst A, vindt slechts plaats, indien een erkende ambulante instelling niet langer dan twee maanden tevoren heeft vastgesteld dat die hulpverlening voor de betrokken jeugdige aangewezen is te achten. De hulpverlening geschiedt slechts gedurende de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling.
2
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voortzetting van de hulpverlening aan de jeugdige na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.
3
Het eerste en het tweede lid is niet van toepassing, indien het betreft hulpverlening aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening als bedoeld in het eerste lid, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
4
In acute noodsituaties is het eerste lid niet van toepassing.
5
Hulpverlening in gevallen als bedoeld in het vierde lid geschiedt voor ten hoogste veertien dagen. Van de aanvang van de hulpverlening wordt, indien deze niet plaatsvond door tussenkomst van een erkende ambulante instelling, zo spoedig mogelijk onder opgave van redenen mededeling gedaan aan een erkende ambulante instelling. Van een zodanige plaatsing wordt onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister.
Artikel
18
1
Een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, zendt tijdig vóór het verstrijken van de door de erkende ambulante instelling vastgestelde termijn, alsmede indien hij voornemens is de hulpverlening binnen die termijn te beëindigen, aan de erkende ambulante instelling door wiens tussenkomst de jeugdige is opgenomen, een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten ervan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan, of en zo ja, waarom hij voortzetting van de hulpverlening bij hem noodzakelijk acht.
2
Beëindiging van hulpverlening ten aanzien waarvan artikel 17, eerste of tweede lid, is toegepast vindt plaats uiterlijk twee weken nadat de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, voortzetting van de hulpverlening voor de jeugdige niet aangewezen is.
3
Indien een uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid, voornemens is de hulpverlening te beëindigen, anders dan na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, doet hij hiervan tijdig mededeling aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geïndiceerd. Deze mededeling gaat vergezeld van een beschrijving van de verleende hulp, onder vermelding van de resultaten daarvan. De uitvoerder geeft daarbij gemotiveerd aan of hij verdere hulpverlening voor de jeugdige noodzakelijk acht en zo ja in welke vorm.
4
Van beëindiging van de hulpverlening wordt door de uitvoerder van een voorziening als bedoeld in artikel 17, eerste lid mededeling gedaan aan de erkende ambulante instelling die tot (her)plaatsing heeft geindiceerd.
Artikel
18a
Van de aanvang en de beëindiging van hulpverlening in een voorziening van residentiële hulpverlening wordt door de desbetreffende uitvoerder onmiddellijk mededeling gedaan aan de minister, door toezending van volledig ingevulde door de minister vastgestelde formulieren.
Artikel
19
Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening verleent op verzoek van degene die voor de plaatsing verantwoordelijk is, aan een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot plaatsing bij een voorziening van residentiële hulpverlening strekt of die haar noodzakelijk maakt, de desbetreffende hulp, tenzij hij voor de jeugdige geen plaats heeft.
Hoofdstuk
V
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel
20
1
Voorzover in bijlage 2 ten aanzien van een categorie van voorzieningen geen eenheden zijn omschreven en normbedragen zijn vastgesteld, wordt het subsidie in afwijking van artikel 5 vastgesteld op basis van het voor 1987 beschikbaar gestelde subsidie, gecorrigeerd in verband met algemene of bijzondere beleidswijzigingen.
2
Indien het bedrag van een overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid, vastgesteld subsidie voor een voorziening hoger onderscheidenlijk lager is dan het bedrag van het subsidie voor het jaar dat aan de eerste toepassing van artikel 5, eerste lid en tweede lid, voorafging, wordt het subsidie:
a.
voor het eerste jaar verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met 331/3% van het verschil tussen de bedoelde bedragen;
b.
voor het tweede jaar verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met 662/3% van het verschil tussen de bedoelde bedragen.
3
In afwijking van artikel 5 en van het eerste lid wordt het subsidie voor het jaar 1989 ten behoeve van medische kindertehuizen en medische kleuterdagverblijven vastgesteld overeenkomstig de richtlijnen, zoals deze op 31 december 1988 op grond van de Wet tarieven gezondheidszorg gelden, eventueel gecorrigeerd in verband met algemene beleidswijzigingen.
Artikel
21
Aan ambtenaren van de Directie Jeugdbeleid en van de Accountantsdienst van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, alsmede aan andere door de minister aan te wijzen ambtenaren, worden door de uitvoerder alle inlichtingen verschaft, die nodig zijn voor een juiste vervulling van hun taak en voor een juiste uitvoering van deze regeling.
Artikel
22
De minister kan van deze regeling afwijken, indien daar dringende redenen voor zijn en stringente toepassing van deze regeling naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden zou leiden.
Artikel
23
Ten aanzien van een jeugdige die op 31 december 1987 in een voorziening van residentiële hulpverlening is geplaatst, is artikel 17, eerste lid, tot de dag waarop de plaatsing wordt beeindigd doch uiterlijk tot 1 januari 1990 niet van toepassing.
De minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, L. C.Brinkman
Bijlage
1
Eisen met betrekking tot voorzieningen van residentiële hulpverlening
I
Een uitvoerder van een voorziening van residentiële hulpverlening stelt binnen zes weken na de plaatsing van een jeugdige in zijn voorziening een hulpverleningsplan op, dat is afgestemd op de psycho-sociale problemen van de jeugdige en dat uitgaat van de omschrijving van de doelstelling van de hulpverlening, bedoeld in artikel 9, eerste lid van de erkenningsregeling. Het hulpverleningsplan wordt schriftelijk vastgelegd. Het bevat in ieder geval:
a.
doel en vorm van de jeugdhulpverlening die wordt geboden;
b.
de behandeling of begeleiding van de jeugdige in de dagelijkse leefsituatie.
II
Eisen met betrekking tot dagcentra voor schoolgaande jeugd (Boddaertcentra)
1
Begripsomschrijving: Onder dagcentrum voor schoolgaande jeugd wordt verstaan een voorziening van jeugdhulpverlening waarin en van waaruit aan jeugdigen en de gezinnen waartoe zij behoren gedurende een deel van het etmaal behandeling en begeleiding wordt geboden. Het gaat daarbij om psycho-sociale problemen, waarbij sprake is van een in aanleg zodanig problematische ontwikkeling van de jeugdige of een zodanig ernstige ontwrichte opvoedings- en gezinssituatie dat behandeling en begeleiding geboden is. De jeugdige bezoekt een onderwijsinstelling of heeft een andere structurele dagbesteding.
De dagcentra voor schoolgaande jeugd worden onderscheiden in:
a.
dagcentra voor jongere jeugd, bestemd voor jeugdigen in de leeftijd van 5 tot 12 jaar.
b.
dagcentra voor oudere jeugd, bestemd voor jeugdigen in de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar.
2
Toelating tot en voortzetting van hulpverlening
a.
Een dagcentrum voor schoolgaande jeugd stelt een externe commissie in. die tot taak heeft de toelating van een jeugdige tot een dagcentrum te beoordelen. Hulpverlening aan een jeugdige in een dagcentrum wordt telkens na anderhalf jaar slechts voortgezet indien deze commissie de noodzaak tot voortzetting van de hulpverlening heeft beoordeeld.
b.
De commissie is multi-disciplinair samengesteld. In een commissie zijn medewerkers opgenomen van voorzieningen van ambulante (jeugd)hulpverlening.
3
Eisen met betrekking tot het personeel
a.
Ten behoeve van ieder dagcentrum voor schoolgaande jeugd is een personeelslid werkzaam dat belast is met de dagelijkse leiding van het centrum.
b.
Bij iedere uitvoerder van een dagcentrum voor schoolgaande jeugd is een personeelslid werkzaam, dat belast is met de dagelijkse leiding van de organisatie
c.
In een dagcentrum voor schoolgaande jeugd zijn bovendien in ieder geval medewerkers met de navolgende functies werkzaam:
a.
groepswerker(s).
b.
maatschappelijk werkende(n).
c.
een (ortho)pedagoog of psycholoog.
d.
Bij een dagcentrum voor schoolgaande jeugd zijn bovendien medewerkers werkzaam belast met andere hulpverlenende en met ondersteunende taken.
4
OpeningstijdenEen dagcentrum voor schoolgaande jeugd is ten minste vijf dagen per week geopend en is gedurende ten minste acht uren per dag bereikbaar. Een dagcentrum is op openingsdagen in ieder geval geopend in aansluiting op de schooltijden tot na het avondeten.
Een dagcentrum kan ten hoogste vijf weken per jaar gesloten zijn, waarvan ten hoogste vier weken aaneengesloten.
5
Verblijf in groepen: De jeugdigen verblijven in het dagcentrum voor schoolgaande jeugd in de regel in vaste groepen.
6
Huisvesting:
a.
Het gebouw waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd bevindt zich in een goede bouwkundige staat.
b.
In een dagcentrum voor schoolgaande jeugd zijn aanwezig:
een kamer voor degene die belast is met de algemene leiding;
een spreekkamer voor de maatschappelijk werkende(n) en andere deskundigen;
groepsruimten;
een hobby-ruimte;
een administratieruimte;
een keuken met berging;
toiletten.
c.
Een dagcentrum voor oudere jeugd beschikt bovendien over een ruimte voor huiswerkbegeleiding.
7
Het hulpverleningsproces: De hulpverlening omvat ten minste de volgende functies:
a.
diagnostiek/observatie;
b.
behandeling en begeleiding van de jeugdige en het gezin waartoe deze behoort;
c.
opvoeding en vorming;
d.
verzorgd verblijf;
e.
nazorg.
Het beoogde hulpverleningsproces wordt vastgelegd in een met betrekking tot iedere jeugdige en zijn gezin vast te stellen hulpverleningsplan.
8
Bescherming persoonlijke levenssfeer Een dagcentrum voor schoolgaande jeugd draagt er zorg voor dat de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige, zijn ouders en de andere bij de hulpverlening betrokken personen zo goed mogelijk wordt beschermd.
9
Maximum omvang: De maximum omvang van een dagcentrum bedraagt 27 plaatsen.
10
Registratie: Een dagcentrum voor schoolgaande jeugd houdt een cliëntenregistratie bij.
11
Samenwerking:
a.
Een dagcentrum voor schoolgaande jeugd neemt deel aan het regionale samenwerkingsverband jeugdhulpverlening.
b.
Een dagcentrum voor schoolgaande jeugd onderhoudt voorts die contacten met personen, instellingen en instanties, die nodig zijn voor een goed verloop van de hulpverlening.
III
Eisen met betrekking tot medische kleuterdagverblijven
Voor de medische kleuterdagverblijven gelden de eisen opgenomen in het Besluit eisen voor erkenning van medische kleuterdagverblijven (Stcrt. 1986, nr. 140).
IV
Eisen met betrekking tot medische kindertehuizen
Voor de medische kindertehuizen gelden de eisen opgenomen in het Besluit normen en voorwaarden voor de erkenning van medische kindertehuizen als inrichting in de zin van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Stcrt. 1970, nr. 141).
Bijlage
2
Onderdeel A
I Dagcentra voor schoolgaande jeugd
I Algemeen
De bedrijfseconomische minimumcapaciteit is vastgesteld op 10 plaatsen d.w.z. dat voor deze 10 plaatsen een vaste norm geldt ad. f 402 085 per jaar.
Voor elke plaats boven de 10 worden variabele kosten toegekend ad. f 28 518 per jaar. Voor elke plaats minder dan 10 worden de variabele kosten ad. f 28 518 per jaar in mindering gebracht of wordt per plaats een korting toegepast op de vaste norm van 10% per jaar. Indien de voorziening is gehuisvest in huurpanden, zal een korting plaatsvinden op de post ‘onderhoudskosten gebouwen’ van 50%.
2.1 De normering van de personele kosten
De berekening van de in de norm opgenomen personele kosten is geschied op basis van een toegerekende standaardformatie per plaats per jaar.
De dagcentra hebben de mogelijkheid om verschuivingen in de standaardformatie aan te brengen. Binnen de standaardformatie zijn de volgende functies te onderscheiden:
2.1.1 hulpverlenende functies
2.1.2 niet-hulpverlenende functies
2.1.3 directiefunctionarissen
2.1.1 Voor wat betreft de hulpverlenende functies is de standaardformatie per verzorgingsjaar:
Functie
Aantal uren
Kosten in guldens
Vast
Variabel
Vast
Variabel
Groepsbegeleider
4800
384
141 778
11 342
Maatschappelijk werkende
1152
84
37 344
2 800
2.1.2 Voor wat betreft de niet-hulpverlenende functies is de standaardformatie per verzorgingsjaar:
Functie
Aantal uren
Kosten in guldens
Vast
Variabel
Vast
Variabel
Kok
720
33.6
17 785
949
Huishoudelijk medewerker
624
33.6
13 272
817
Administratief personeel
480
33.6
11 188
895
Pedagoog/psycholoog
528
33.6
25 752
2061
2.1.3 Voor wat betreft de directiefunctionarissen is de standaardformatie:
Functie
Aantal uren
Kosten in guldens
Vast
Variabel
Vast
Variabel
Directiefunctionaris
1 152
48
46 574
1 940
Overige personeelskosten per
6 895
591
plaats per verzorgingsjaar
Managementtoeslag, herbezetting,
-/-
1 680
-/- 220
div. kortingen
Subtotaal
298 907
21 176
Norm vast
Norm variabel
in guldens
in guldens
2.2 De normering van de kosten accommodatie
Huisvestingskosten:
Huren/rente hypotheek
29 550
1 182
Afschr tuinaanleg/verb.
Afschrijving gebouwen
Overige huisvestingskosten:
Energiekosten
17 730
1 478
Belastingen en heffingen
Afschrijving inventaris
Rente kort- en langlopende leningen
Schoonmaakkosten
Verzekeringen
2.3 De normering van de apparaatskosten
Onderhoudskosten gebouwen
12 608
1 084
Organisatiekosten
18 715
1 281
2.4 De normering van de verzorgingskosten
Vervoerskosten kinderen
3 940
345
Voedingskosten
14 775
1 330
specifieke verzorgingskosten
7 880
788
Subtotaal
105 198
7 486
Subtotaal personeelskosten
298 907
21 176
Subtotaal
404 105
28 662
2.5 Korting i.v.m. te ontvangen ouderbijdrage
Korting ouderbijdrage 0.5%
-/- 2 021
-/- 143
Totaal
402 085
28 518
Bijlage
3
Melding aanvang/beëindiging residentiële plaatsing als bedoeld in artikel 18a
Naam opnemende instelling:...............................................................................................................................
Plaats van vestiging:.................................................................................postcode:.....................tel:.................
Gemeente van vestiging voorafgaande aan de plaatsing:..................................................................................
(Stief)ouder(s)/onderhoudsplichtige:
Familienaam en voorletters:................................................................................................................................
Plaats van vestiging:............................................................................................................postcode:...............
Plaats en datum:.................................................................................................................................................