Regeling inzake personen aan boord luchtvaartuig tijdens vlucht voor uitoefening overheidstoezicht-1988

Regeling inzake personen aan boord luchtvaartuig tijdens vlucht voor uitoefening overheidstoezicht-1988

De minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op artikel 102, eerste lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart (Stb. 1978, 99), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 juli 1987 (Stb. 1987, 449);

Besluit:

Artikel

1

De met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk V van de Regeling Toezicht Luchtvaart gestelde voorschriften, tijdens de vluchtvoorbereiding, de vluchtafhandeling en de vlucht aan boord van luchtvaartuigen, ingevolge artikel 102, eerste lid, belaste personen die voor de uitoefening van dat toezicht wensen deel te nemen aan een bepaalde vlucht met een bepaald luchtvaartuig, geven hiervan kennis aan de eigenaar of houder van dat luchtvaartuig of aan diens vertegenwoordiger ter plaatse.

Artikel

2

De met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk V van de Regeling Toezicht Luchtvaart gestelde voorschriften, tijdens de vluchtvoorbereiding en de vluchtafhandeling, ingevolge artikel 102, eerste lid van de Regeling Toezicht Luchtvaart, belaste personen die voor de uitoefening van dat toezicht wensen deel te nemen aan een bepaalde vlucht met een bepaald luchtvaartuig geven hiervan kennis aan de eigenaar of houder van dat luchtvaartuig of aan diens vertegenwoordiger ter plaatse.

Artikel

3

Indien de kennisgeving een maand vóór de aanvang van een intercontinentale vlucht en een week vóór de aanvang van een vlucht naar Europa of het Nabije Oosten plaatsvindt, is de eigenaar of houder van het luchtvaartuig of diens vertegenwoor-diger ter plaatse verplicht:

  • a.

    aan de in artikel 1 bedoelde personen een plaats beschikbaar te stellen in de stuurhut van dat luchtvaartuig of, wanneer zo'n plaats daar ontbreekt een plaats in de cabine, en

  • b.

    aan de in artikel 2 bedoelde personen een plaats in de cabine van dat luchtvaartuig beschikbaar te stellen.

Artikel

4

Artikel

5

Met betrekking tot de gezagsverhouding aan boord moeten de in artikel 1 bedoelde personen worden beschouwd als bemanningsleden met een bijzondere status en de in artikel 2 bedoelde personen als passagiers. Zij worden vervoerd onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    voor het vervoer worden aan het Rijk geen kosten in rekening gebracht;

  • b.

    alle andere kosten, alsmede door hen opgenomen gelden worden door de divisie Luchtvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat terugbetaald;

  • c.

    het Rijk vrijwaart de eigenaar of houder van het luchtvaartuig tegen alle vorderingen, welke ten gevolge van het vervoer van bedoelde personen door hen of door derden jegens de eigenaar of houder zouden kunnen worden ingesteld.

Artikel

6

De regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat van 29 juli 1959, nr. LI-13823 wordt ingetrokken.

Artikel

7

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

's-Gravenhage
De minister van Verkeer en Waterstaat, N. Smit-Kroes