Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg

De minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover de wetgever de nodige gelden heeft toegestaan.

Artikel

4

Op een subsidie-aanvrage wordt in ieder geval afwijzend beslist indien:

  • a.

    door de plaatsing van de jeugdige de capaciteit wordt overschreden die is toegekend aan de erkende ambulante instelling die de indicatie heeft gesteld;

  • b.

    de (stief)ouder(s) van de jeugdige die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig zijn, zich niet hebben verbonden tot het betalen van een met toepassing van dat besluit berekende bijdrage, tenzij ontheffing is verleend van de voorwaarde een ondertekend ouderbijdrageformulier in te zenden, met dien verstande dat in een zodanig geval aan de pleegouder subsidie wordt verstrekt tot de tweede werkdag na de dag waarop de beslissing op de aanvrage is verzonden.

Artikel

5

Het subsidie wordt in ieder geval beëindigd, indien:

  • a.

    de termijn van (her)plaatsing, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de erkenningsregeling, is verstreken, tenzij de erkende ambulante instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, een indicatie heeft gesteld tot herplaatsing van de jeugdige bij de desbetreffende pleegouder;

  • b.

    de erkende ambulante instelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, aan de pleegouder heeft medegedeeld dat voortzetting van de hulpverlening bij de desbetreffende pleegouder niet langer aangewezen is;

  • c.

    de (stief)ouders van de jeugdige die op grond van het Bijdragebesluit jeugdhulpverlening bijdrageplichtig zijn, zich na afloop van de periode waarvoor ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 4, onder b, niet hebben verbonden tot het betalen van de met toepassing van dat besluit berekende bijdrage.

Hoofdstuk

II

Grondslag voor de vaststelling van het subsidie

Artikel

6

Hoofdstuk

III

III Subsidievoorschriften

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

De pleegouder zendt aan het begin van elke maand aan de minister een daartoe door deze beschikbaar gesteld en volledig ingevuld formulier over de voorafgaande maand en doet onverwijld aan de minister mededeling van wijzigingen in de situatie die van belang zijn voor de vaststelling van het subsidie.

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Een pleegouder werkt mee aan onderzoeken ten behoeve van het beleid op het terrein van de pleegzorg welke worden verricht door of in opdracht van de minister.

Hoofdstuk

IV

Slotbepalingen

Artikel

14

Alle stukken en correspondentie betreffende de uitvoering van dit besluit worden aan de minister gezonden door toezending aan een door de minister bekend te maken adres.

Artikel

15

Een pleegouder verschaft de betrokken erkende ambulante instelling, de Inspectie jeugdhulpverlening en andere door de minister aan te wijzen ambtenaren alle inlichtingen die noodzakelijk zijn voor een juiste vervulling van hun taak. Pleegouders verlenen ook anderszins aan de Inspectie Jeugdhulpverlening en de bedoelde ambtenaren medewerking teneinde hen in staat te stellen op de naleving van dit besluit toe te zien.

Artikel

16

De minister kan van dit besluit afwijken indien daar dringende redenen voor zijn en stringente toepassing van dit besluit naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden zou leiden.

Artikel

17

Artikel

18

Wijzigt de erkenningsregeling.

Artikel

20

Dit besluit, dat kan worden aangehaald als Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg, treedt in werking met ingang van 15 juli 1988. Bekendmaking geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Afschrift wordt gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

Rijswijk
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, L. C.Brinkman

Bijlage

1

Voor de verschillende leeftijdscategorieën bedraagt de pleegvergoeding:

0 t/m 8 jaar

f 468/f 15,40

9 t/m 11 jaar

f 531/f 17,45

12 t/m 15 jaar

f 624/f 20,50

16 t/m 17 jaar

f 738/f 24,25

18 t/m 20 jaar

f 765/f 25,15

2

Op het subsidie worden in mindering gebracht de volgende bedragen die door de jeugdige worden ontvangen dan wel waarop deze recht kan doen gelden:

  • a.

    2/3 van de inkomsten uit arbeid of van een uitkering op grond van de Ziektewet, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Nieuwe Werkloosheidswet en in geval van een schoolgaande gebruiker slechts voor zover het inkomen uit arbeid het bedrag van f 1 400 op jaarbasis te boven gaat;

  • b.

    voor studerende jeugdigen van 18 jaar en ouder, de ingevolge de Wet studiefinanciering ontvangen uitkering, na aftrek van dat deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, welk bedrag per opleiding kan verschillen en, tenzij de jeugdige (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet of ter zake van de ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordiger(s), na aftrek van de voor een ten behoeve van de jeugdige gesloten verzekering tegen ziektekosten te betalen premie tot ten hoogste f 100 per maand;

  • c.

    in andere gevallen dan bedoeld onder a en b, alle inkomsten.

3

Op het subsidie worden bovendien in mindering gebracht:

  • de bedragen die de pleegouder heeft ontvangen dan wel waarop hij recht kan doen gelden terzake van de opvoeding en verzorging van de jeugdige;

  • door de pleegouder(s) (ten behoeve van opvoeding en verzorging) ontvangen kinderalimentatie of kinderbijslag.