Artikel
1
1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
een persoon die:
-
1.
de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt;
-
2.
de meerderjarigheidsleeftijd, doch nog niet de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt en voor wie voortzetting van uithuisplaatsing noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van een uithuisplaatsing minder dan een half jaar tevoren, plaatsing bij een pleegouder noodzakelijk is;
activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig beïnvloeden;
het voor het bieden van jeughulpverlening plaatsen van een jeugdige bij een pleegouder of in een voorziening van residentiële hulpverlening;
een natuurlijk persoon die een jeugdige, niet zijnde zijn kind of stiefkind in zijn gezin opvoedt en verzorgt;
de Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening (Stcrt. 1987, 140);
een ambulante instelling die is erkend op grond van de erkenningsregeling;
de regio, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening (Stcrt. 1987, 28).
2
Dit besluit is niet van toepassing indien het de verzorging en opvoeding betreft van een jeugdige,
-
a.
die op grond van artikel 254 van boek I van het Burgerlijk Wetboek onder toezicht is gesteld;
-
b.
wier ouders of voogd ontzet of ontheven zijn uit de ouderlijke macht of de voogdij indien de voogdij is opgedragen aan een voogdij-instelling;
-
c.
die voorlopig is toevertrouwd aan een raad voor de kinderbescherming.