Onroerend goed-lichaam; verkrijging van aandelen na liquidatie
BV A en BV B bezaten ieder 50% van de aandelen in BV C.
BV C bezat alle aandelen in BV D, een onr. goedlichaam in de zin van art. 4, lid 1, letter a WBR.
In het kader van de liquidatie van BV C verkreeg BV A alle aandelen in BV D.
De Staatssecr. heeft met toepassing van art. 63 AWR goedgekeurd dat heffing achterwege blijft van 50/100e deel van de overdrachtsbelasting welke t.z.v. die verkrijging is verschuldigd.
Aan deze tegemoetkoming is de bepaling verbonden, dat zij niet geldt indien BV D t.t.v. de verkrijging door BV A van 50% van de aandelen in BV C reeds als een onr. goedlichaam in de zin van art. 4, lid 1, letter a WBR was aan te merken, en t.z.v. die verkrijging geen overdrachtsbelasting is geheven.