Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken

De minister van Verkeer en Waterstaat,
Overwegende, dat de intrekking of opzegging of wijziging van een vanwege de minister verleende vergunning tot het hebben van werken (leidingen, buizen en kabels) op in, door, naast, onder of boven Rijkswaterstaatswerken kan meebrengen dat natuurlijke dan wel rechtspersonen een onevenredig financieel nadeel ondervinden;
dat het wenselijk is voor de betreffende vergunninghouders vast te leggen, in welke gevallen en onder welke voorwaarden een financiële compensatie kan worden verstrekt en dat het wenselijk is voor de vergunningshouders een regeling te creëren, opdat belanghebbenden vooraf weten op welke wijze en naar welke normen de omvang van de compensatie bepaald kan worden;

Stelt de volgende regeling vast:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
De minister:

de minister van Verkeer en Waterstaat.

b.
Vergunning:

een vergunning als bedoeld in het Rijkswegenreglement (Besluit van 4 juli 1927, Stb. 240), het Rijksrivierdijkenreglement (Besluit van 28 juli 1937, Stb. 576), het Rijkszeeweringenreglement (Besluit van 22 december 1937, Stb. 579°) en het Algemeen reglement van politie voor rivieren en Rijkskanalen (Besluit van 24 november 1919, Stb. 765).

c.
Waterstaatswerken:

werken als bedoeld in de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69 tot vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken.

d.
Belanghebbende:

een natuurlijke of een rechtspersoon, die krachtens een vergunning een werk (buis, leiding, kabel) op, in door, naast, onder of boven een (Rijks)waterstaatswerk heeft (vergunninghouder).

e.
Schade:

onevenredig financieel nadeel dat de vergunninghouder (belanghebbende) lijdt ingevolge de intrekking, opzegging of wijziging van een vergunning.

Hoofdstuk

II

Procedurebepalingen inzake de financiële compensatie

Artikel

2

Indiening van een verzoek om financiële compensatie

Artikel

3

Fatale termijn

Een verzoek om een financiële compensatie dat na verloop van de termijn als genoemd in artikel 2 tweede lid wordt ingediend, zal door de minister niet meer in behandeling worden genomen.

Artikel

4

Afwijzing van het verzoek

Artikel

5

Instellen Adviescommissie

Artikel

6

Samenstelling en taak Adviescommissie

Artikel

7

Procedure Adviescommissie

Artikel

8

De beslissing op het verzoek om een financiële compensatie

Hoofdstuk

III

Bepalingen inzake de financiële compensatie

Artikel

9

De financiële compensatie

Aan belanghebbenden die schade lijden, welke redelijkerwijs niet of geheel ten laste van hen behoort te blijven, wordt, indien voldaan is aan de in deze verordening gestelde voorwaarden, een naar billijkheid te bepalen financiële compensatie verstrekt, indien en voor zover de vergoeding niet anderszins is verzekerd.

Artikel

10

Gevallen waarin geen financiële compensatie wordt verleend

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 en 4 beslist de minister in ieder geval geheel of gedeeltelijk afwijzend op een verzoek om een financiële compensatie, indien en voor zover naar zijn oordeel:

  • a.

    het financieel nadeel is veroorzaakt door andere omstandigheden dan de intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning.

  • b.

    het financieel nadeel behoort tot het normaal maatschappelijk risico van belanghebbende.

  • c.

    Het financieel nadeel behoort tot het door de belanghebbende aanvaarde risico.

  • d.

    De belanghebbende geldelijke aanspraken heeft ontleend, heeft kunnen ontlenen, of nog kan ontlenen aan andere regelingen van welke aard dan ook die mede voorzien in de door deze regeling beoogde financiële compensatie.

  • e.

    De belanghebbende verwijtbaar lijdelijk de gevolgen van de intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning heeft afgewacht, terwijl door het treffen van bepaalde maatregelen de financieel nadelige gevolgen ervan hadden kunnen worden beperkt of voorkomen.

  • f.

    De tijdsduur tussen het tijdstip van het verlenen van de vergunning uit hoofde van het Rijksrivierdijkenreglement, het Rijkszeeweringenreglement dan wel het Algemeen reglement van politie voor rivieren en Rijkskanalen tot het in, op onder of over de dijken en wat daartoe behoort uitvoeren of behouden van werken en het tijdstip van het onherroepelijk worden van het besluit tot intrekking, opzegging dan wel wijziging van de vergunning meer bedraagt dan 20 (twintig) jaar.

  • g.

    De tijdsduur tussen het tijdstip van het verlenen van de vergunning uit hoofde van het Rijkswegenreglement tot het leggen en laten liggen van goten, riolen, duikers, buizen, leidingen en kabels en het tijdstip van het onherroepelijk worden van het besluit tot intrekking, opzegging, dan wel wijziging van de vergunning meer bedraagt dan 10 (tien) jaar.

  • h.

    De belanghebbende het verzoek om een financiële compensatie niet binnen de in artikel 2 genoemde termijn heeft ingediend bij het hoofd van de directie.

Artikel

11

Risicoverdeling

In de door de minister te nemen beslissing omtrent het verzoek om een financiële compensatie zal de minister ten aanzien van de vraag naar de omvang van het normaal maatschappelijk risico, dan wel het door belanghebbende aanvaarde risico, in ieder geval de mogelijke aanwezigheid van de navolgende indicaties voor genoemd risico betrekken:

  • a.

    indien de belanghebbende, die een werk op of in een waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) aanbrengt weet, of althans behoort te weten, dat het waterstaats- c.q. veiligheidsbelang, tot bescherming waarvan het vereiste een vergunning is gesteld, te eniger tijd kan vorderen, dat het werk verwijderd wordt, aanvaardt de belanghebbende daarmee in beginsel geheel of gedeeltelijk het risico, dat de bij hem in beheer zijnde werken te eniger tijd verwijderd dienen te worden;

  • b.

    indien de belanghebbende de betreffende werken krachtens een vergunning op of in waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) heeft aangebracht op zodanig tijdstip, dat de belanghebbende had kunnen voorzien, dan wel had behoren te voorzien, dat de waterstaatswerken in de nabije toekomst opgehoogd, verbreed dan wel anderszins gewijzigd zouden moeten worden, is dat een omstandigheid, die in beginsel het door belanghebbende aanvaarde risico verhoogt. Het voorgaande geldt in het bijzonder indien het hoofd van de directie de belanghebbende in kennis heeft gesteld van deze omstandigheid, of indien ten tijde van het aanbrengen van het werk de belanghebbende redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van de overheidsmaatregelen en de daarmee samenhangende plannen dienaangaande;

  • c.

    indien de belanghebbende het betreffende werk in of op een waterstaatswerk heeft aangebracht, zonder dat de door belanghebbende aan te tonen noodzaak bestond om het betreffende werk juist in of op de betreffende waterkering en niet elders aan te brengen, aanvaardt de belanghebbende daarmee een extra risico. Dit geldt in het bijzonder, indien de belanghebbende, ten einde kosten te besparen, ervan heeft afgezien de betreffende werken elders aan te brengen.

Artikel

12

De hoogte van de financiële compensatie

Artikel

13

Voorschot hangende een verzoek om een financiële compensatie

Artikel

14

Hardheidsclausule

Indien een strikte toepassing van deze compensatieregeling zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt kan de minister van het gestelde in deze regeling afwijken.

Artikel

15

Deze regeling kan worden aangehaald als schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken.

's-Gravenhage
De minister van Verkeer en Waterstaat, N.Smit-Kroes