Wet van 4 oktober 1988, tot verlaging van het tarief en het op nihil stellen van de vermogensaftrek in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Wet tot verlaging tarief en op nihil stellen vermogensaftrek in Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van een betere aanwending van middelen wenselijk is in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het tarief te verlagen en de vermogensaftrek op nihil te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

II

De vermogensaftrek en de vennootschapsbelasting over een boekjaar dat voor 1 oktober 1988 begint en op of na die datum eindigt worden, in afwijking in zoverre van de artikelen 8, 18 en 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, berekend volgens de formules:

, waarin X voorstelt: het aantal voor 1 oktober 1988 vallende dagen van het boekjaar;

Y voorstelt: het aantal na 30 september 1988 vallende dagen van het boekjaar;

B voorstelt: het totale aantal dagen van het boekjaar;

OV voorstelt: het ondernemingsvermogen bij het begin van het boekjaar als bedoeld voor de regeling van de vermogensaftrek;

To voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt vóór de inwerkingtreding van deze wet;

Tn voorstelt: het tarief van de vennootschapsbelasting zoals dat tarief luidt na de inwerkingtreding van deze wet;

G voorstelt: het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag.

Artikel

III

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tavarnelle
Beatrix
De Minister van Financiën, H. O. C. R. Ruding
De Staatssecretaris van Financiën, H. E. Koning
De Minister van Justitie, F. Korthals Altes