Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 1 februari 1988, WZJ/U-3882;
Overwegende dat het gewenst is te bevorderen dat een adequate spreiding over het land van het aanbod en de produktie van werken van beeldende kunst tot stand komt en daarmede de mogelijkheid te vergroten dat beeldende kunstenaars zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien;
Overwegende dat, teneinde te beproeven of dit beleid kan worden gerealiseerd door de provincies, de tijdelijke regeling op grond waarvan provincies tijdelijk een uitkering uit 's Rijks kas konden krijgen, te verlengen gedurende enige tijd;
Gezien het advies van de Raad voor de Kunst (advies van 7 december 1987);
De provincies, de Raad voor de gemeentefinanciën en de Rijkscommissie voor de Musea gehoord;
De Raad van State gehoord (advies van 8 maart 1988, nr. W 13.880045;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 22 september 1988, Centrale Directie Juridische en Bestuurlijke Zaken, nr. 60595;