Regeling ter verbetering van de vakbekwaamheid van in de landbouw werkzame personen

De minister van Landbouw en Visserij,
Overwegende dat de personen, die in de landbouw werkzaam zijn en niet meer schoolplichtig zijn, in staat moeten worden gesteld nieuwe vakbekwaamheid binnen het landbouwberoep te verkrijgen of de vakbekwaamheid, die zij reeds bezitten, te verbeteren, zodat hun integratie in een modern landbouwbestel mogelijk wordt; dat het te dien einde gewenst is regelen te stellen ter bevordering van de verdere vakbekwaamheid van vorengenoemde personen;
Gelet op de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 797/85 van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (Pb. EG L93) en de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 1760/87 van 15 juni 1987 tot wijziging van onder meer de Verordening nr. 797/85 met betrekking tot de landbouwstructuur, de aanpassing van de landbouw aan de nieuwe marktsituatie en het behoud van het agrarisch landschap (Pb EG L167/1);

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
‘minister’:

de minister van Landbouw en Visserij;

b.
‘instellingen’:
  • 1º.

    publiekrechtelijke lichamen;

  • 2º.

    rechtspersoonlijkheid bezittende land- of tuinbouworganisaties of haar afdelingen;

  • 3º.

    rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties, welke zich onder meer de bevordering van land- of tuinbouwonderwijs ten doel stellen;

c.
‘in de landbouw werkzame personen’:

een bedrijfshoofd, die als ondernemer een landbouwbedrijf uitoefent, de op zijn bedrijf meewerkende gezinsleden alsmede agrarische werknemers die niet meer schoolplichtig zijn;

d.
‘landbouw’:

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw — daaronder begrepen champignonteelt, fruitteelt en het kweken van groente, bloemen, bomen en bloembollen — en elke andere tak van bodemcultuur;

e.
‘inspecteur’:

de inspecteur van het Landbouwonderwijs, in wiens ambtsgebied een in deze beschikking bedoelde cursus wordt gegeven.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

De bijdrage aan de in artikel 2, tweede lid onder a, bedoelde instellingen bestaat uit:

  • a.

    een vergoeding volgens door de minister vast te stellen normen van de kosten van de cursussen ter zake van:

    • 1º.

      de organisatie en de administratie;

    • 2º.

      de reiskosten van de leerkrachten;

    • 3º.

      de leermiddelen, voor zover deze verbruiksmaterialen zijn en niet het eigendom van de cursisten worden;

    • 4º.

      de huur van cursuslokalen, indien het niet mogelijk is, dat overeenkomstig het bepaalde onder c lesruimten in land- of tuinbouwscholen beschikbaar worden gesteld;

  • b.

    een door de minister vastgestelde honorering van de leerkrachten;

Daarnaast kan de minister beschikbaar stellen:

  • lesruimten in land- of tuinbouwscholen voor de huisvesting van de cursussen;

  • duurzame leermiddelen, voor zover deze in de onder het eerste gedachtenstreeepje bedoelde scholen aanwezig zijn en in bezit van deze scholen blijven.

Artikel

6

Toezicht op de cursussen wordt uitgeoefend door of namens de inspecteur.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

's-Gravenhage
De minister van Landbouw en Visserij,
Voor deze,
De secretaris-generaal, T. H. J.Joustra