voor TPG N.V. de volgende algemene richtlijnen ten aanzien van het haar opgedragen postvervoer, zoals omschreven bij en krachtens de artikelen 2 en 2a van de Postwet, vast te stellen:
plaats waar van de dienstverlening ter zake van het postvervoer gebruik kan worden gemaakt;
g.
loonsom:
loonsom werknemers marktsector of de verwachte loonsom werknemers marktsector zoals gehanteerd in de op het moment van schriftelijke aanmelding van een tariefwijziging laatst bekende formele publicatie van het Centraal Planbureau (CPB);
h.
arbeidsduur:
arbeidsduur of de verwachte arbeidsduur zoals gehanteerd in de op het moment van schriftelijke aanmelding van een tariefwijziging laatst bekende formele publicatie van het CPB;
bescheiden en schriftelijke mededelingen, al dan niet verpakt, die door toepassing van druk- of andere vermenigvuldigingstechnieken in een aantal geheel met elkaar overeenstemmende exemplaren ter verspreiding zijn vervaardigd en waarin, behoudens de adressering, geen bijvoegingen, doorhalingen of aanduidingen zijn aangebracht;
k.
postpakketten:
geadresseerde verpakte zendingen die in elk geval zaken, niet zijnde brieven of drukwerken, bevatten;
l.
richtlijn:
richtlijn nr. 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998, L 15).
§
2
Dienstverlening
2.1
De houder van de concessie is verplicht om een aan de eisen des tijds beantwoordende dienstverlening ter zake van het postvervoer op te zetten en in stand te houden.
2.2
De onder 2.1 genoemde dienstverlening omvat ten minste:
a.
het postvervoer;
b.
het beschikbaar stellen van dienstverleningspunten voor het ten vervoer aanbieden van postzendingen en het verrichten van andere met postvervoer samenhangende handelingen;
c.
het beschikbaar stellen van brievenbussen dan wel soortgelijke faciliteiten voor het ten vervoer aanbieden van daartoe geschikte postzendingen;
d.
het bestellen van postzendingen;
e.
het teruggeven van onbestelbare postzendingen aan de afzender.
2.3
In afwijking van het bepaalde onder 2.2, onderdeel a, is de houder van de concessie niet verplicht tot het postvervoer naar een land buiten Nederland, indien die zendingen vanuit dat land in Nederland zijn gebracht om deze aan de houder van de concessie ten vervoer aan te bieden met als bestemming adressen in dat land.
2.4
Ten aanzien van de dienstverlening als bedoeld in 2.2 dient de houder van de concessie te voldoen aan het in dit besluit gestelde.
2.5
De houder van de concessie draagt naar redelijkheid zorg voor de beveiliging van de hem ten vervoer toevertrouwde postzendingen in overeenstemming met de waarde die de afzender blijkens zijn keuze van de wijze van verzending aan deze postzendingen hecht.
2.6
Vervallen.
2.7
De houder van de concessie draagt zorg voor differentiatie in de vorm van betaling van de voor het postvervoer verschuldigde porten. De verantwoording van de porten zal mede kunnen geschieden door middel van postzegels, welke door de houder van de concessie op alle dienstverleningspunten verkrijgbaar worden gesteld.
2.8
De houder van de concessie dient bij het uitgeven van postzegels met toeslag voor culturele of sociale doelen dan wel ten behoeve van instellingen met een algemeen humanitaire doelstelling rekening te houden met de ter zake van het inzamelen van gelden voor deze doeleinden en instellingen getroffen regelingen.
2.9
De houder van de concessie maakt voor het aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen gebruik van het op het moment van het van kracht worden van deze algemene richtlijnen bestaande net van dienstverleningspunten.
2.10
De houder van de concessie is evenwel gerechtigd in dit net van dienstverleningspunten aanpassingen aan te brengen, indien een wijziging in het gebruik van diensten ter zake van het postvervoer dan wel voor andere diensten, die door hem voor derden op die dienstverleningspunten worden verleend, daartoe redelijkerwijs aanleiding geeft.
2.11
Bij de in 2.10 genoemde aanpassing draagt de houder van de concessie er in ieder geval zorg voor dat in woonkernen met meer dan 5000 inwoners binnen een straal van 5 km een dienstverleningspunt zal zijn als bedoeld in 2.2 onder b. Daarenboven zal, indien het inwonertal 50,000 overschrijdt, per elk 50,000 inwonertal een (extra) dienstverleningspunt aanwezig moeten zijn. Onder woonkernen dient te worden verstaan een aaneengesloten bebouwing binnen één gemeente.
2.12
Buiten bovenvermelde woonkernen draagt de houder van de concessie bij de in 2.10 genoemde aanpassing zorg voor een zoveel mogelijk vergelijkbaar niveau van aanwezigheid van dienstverleningspunten.
Indien een dergelijk niveau redelijkerwijs niet haalbaar is dient de houder van de concessie zorgte dragen voor een vervangende vorm van dienstverlening.
2.13
In woonkernen met meer dan 5000 inwoners zal binnen een straal van 500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.14
Buiten bovengenoemde woonkernen zal, behoudens het in 2.15 gestelde, ten minste binnen een straal van 2500 m een brievenbus zijn om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.15
Indien het in 2.14 gestelde redelijkerwijs niet haalbaar is, draagt de houder van de concessie er zorg voor dat bij de bestelling gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.
2.16
De houder van de concessie dient de brievenbussen bestemd voor het aanbieden van daartoe geschikte postzendingen in goede staat te houden en zodanig te plaatsen en uit te voeren, dat deze goed herkenbaar en bereikbaar zijn.
2.17
Tenzij bijzondere omstandigheden hem zulks verhinderen, zal de houder van de concessie ten minste zes dagen per week, met uitzondering van de feestdagen: eerste kerstdag, eerste paasdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag alsmede Koninginnedag, eenmaal per dag overal in Nederland postzendingen ophalen uit de voor het publiek bestemde brievenbussen dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen en op alle dagen, niet zijnde zon- of feestdagen, overal in Nederland één postbestelling uitvoeren.
2.18
De houder van de concessie zorgt ervoor dat brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgende op de dag van aanbieding.
2.19
De houder van de concessie voldoet aan de in onderdeel 2.18 omschreven norm voor de kwaliteit van de bestelling van postvervoer van brieven binnen Nederland met de standaard overnight service, indien de kwaliteit van de bestelling van die brieven per kalenderjaar gemeten over:
a.
losse brieven, gefrankeerd met een postzegel, die op voor het algemene publiek bestemde aanbiedingspunten zijn aangeboden, en
b.
de partijenpost brieven tot en met 100 gram, die op daartoe bestemde aanbiedingspunten is aangeboden op grond van afzonderlijke overeenkomsten bedoeld in onderdeel 5.2, een naar de onderlinge verhouding in stuksvolume van die verkeerstromen, over het desbetreffende kalenderjaar berekend, gewogen gemiddelde van ten minste 95% heeft.
De houder van de concessie is verplicht de vorenbedoelde metingen van de kwaliteit van de bestelling per kalenderjaar over elke maand te laten uitvoeren door een onafhankelijke en daartoe deskundige instelling.
2.20
De houder van de concessie legt de algehele uitkomsten van die onderzoeken over het desbetreffende kalenderjaar, voorzien van een motivering en vergezeld van een nauwkeurige omschrijving van de door de betrokken instelling toegepaste meetsystematiek, voor 1 april van het daarop volgend jaar aan het college over.
Het college controleert aan de hand van de aan hem overgelegde gegevens de uitvoering door de houder van de concessie van de onderdelen 2.18 en de deugdelijkheid van de ter uitvoering van 2.19 verrichte metingen.
Het college maakt elk jaar zijn bevindingen van die controle bekend.
2.21
De houder van de concessie voldoet in het kader van het postvervoer ten aanzien van brieven en drukwerken van en naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte aan de kwaliteitsnorm die in de bijlage van de richtlijn aan de overkomstduur wordt gesteld.
2.22
De houder van de concessie voldoet aan de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, voorzover de normen betrekking hebben op de dienstverlening, bedoeld in onderdeel 2.2., behoudens dat de houder van de concessie aan het college kan verzoeken een norm dan wel een onderdeel daarvan geen toepassing te geven, wanneer zulks naar het oordeel van de houder van de concessie noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer.
Het college beslist binnen een maand of het instemt met het verzoek.
Wanneer zulks noodzakelijk blijkt voor de belangen van de gebruikers van het postvervoer, geeft de houder van de concessie aan de toe te passen normen bekendheid door middel van een verwijzing in de algemene voorwaarden naar die normen en naar de vindplaats daarvan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
§
3
Geheimhouding
3.1
De houder van de concessie draagt er zorg voor, dat bij de bedrijfsvoering met betrekking tot het postvervoer het grondwettelijk briefgeheim wordt nageleefd. Opening van gesloten postzendingen als bedoeld in artikel 10 van de wet dient te geschieden door een daartoe door of namens de houder van de concessie uitdrukkelijk aangewezen personeelslid.
3.2
De houder van de concessie draagt er zorg voor dat bij de bedrijfsvoering met betrekking tot het postvervoer de wettelijke regelingen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht worden genomen en is, indien dat voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk blijkt, verplicht verdergaande waarborgen te stellen aangaande het door hem verzorgen en beheren van informatie omtrent de gebruikers van een dienst.
3.3
De houder van de concessie is verplicht in de arbeidsvoorwaarden voor zijn personeel bepalingen op te nemen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers, inclusief het geheim houden van informatie over hun postverkeer.
Voorzover derden zijn betrokken bij de uitvoering van de dienstverlening ter zake van het postvervoer dient de houder van de concessie ervoor zorg te dragen dat ten aanzien van die derden en hun personeel overeenkomstige bepalingen worden gesteld.
§
4
Algemene voorwaarden
4.1
De houder van de concessie is verplicht om ten behoeve van het postvervoer voor een ieder en overal in Nederland geldende algemene voorwaarden vast te stellen, die in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit besluit.
4.2
Deze algemene voorwaarden zullen slechts worden gewijzigd na overleg met het Overlegorgaan PTT als bedoeld in § 8.
4.3
De algemene voorwaarden dienen, naast een duidelijke beschrijving van de soorten vervoersdiensten, ten minste regelingen te bevatten met betrekking tot tarieven en nadere bepalingen ten aanzien van aansprakelijkheden en weigeringsgronden.
4.4
De algemene voorwaarden zullen op genoegzame wijze worden bekend gemaakt. Deze zullen ten minste ter inzage liggen op de dienstverleningspunten van de houder van de concessie.
§
5
Tarieven
5.1
Ter zake van de tarieven die de houder van de concessie vaststelt voor het postvervoer binnen Nederland, gelden de volgende uitgangspunten:
a.
in de tarieven voor de te onderscheiden categorieën van activiteiten, die zijn aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zijn tenminste de kosten verwerkt die overeenkomstig het toerekeningssysteem bedoeld in onderdeel 6.3, onder a, worden toegerekend aan de desbetreffende categorie;
b.
de tarieven zijn transparant en niet discriminerend;
c.
de tarieven zijn uniform, en
d.
de tarieven zijn gepubliceerd door middel van tenminste terinzagelegging bij de dienstverleningspunten.
5.2
Onverminderd artikel 5.1, onder a en b, kan de houder van de concessie bij het vaststellen van de tarieven met betrekking tot het postvervoer binnen Nederland van brieven waarvoor de concessie bedoeld in artikel 2a van de wet is verleend, door middel van afzonderlijke overeenkomsten afwijken van het vereiste van uniformiteit in onderdeel 5.1, onder c. Voor afzonderlijke overeenkomsten geldt niet het publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, behoudens dat de houder van de concessie de gevallen bekend maakt waarin het aangaan van zodanige afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.
5.2a
De tarieven en voorwaarden die bij de afzonderlijke overeenkomsten, bedoeld in onderdeel 5.2, worden overeengekomen voldoen aan de volgende eisen:
a.
in de tarieven wordt rekening gehouden met vermeden kosten in vergelijking met de standaarddienst die de gehele reeks prestaties bestrijkt die worden aangeboden op het gebied van ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van afzonderlijke poststukken;
b.
zij worden op dezelfde wijze toegepast tussen derden en de houder van de concessie voor zover het gelijkwaardige diensten betreft.
5.3
Onverminderd de akten van de Wereldpostunie is onderdeel 5.1 van overeenkomstige toepassing op de tarieven die de houder van de concessie vaststelt voor het postvervoer naar gebieden buiten Nederland met dien verstande dat:
a.
het vereiste van uniformiteit in onderdeel 5.1, onder c, alleen geldt voor een land of een groep van landen;
b.
door middel van afzonderlijke overeenkomsten kan worden afgeweken van het vereiste van uniformiteit als hiervoor bedoeld onder a. Het publicatievereiste bedoeld in onderdeel 5.1, onder d, geldt niet voor die afzonderlijke overeenkomsten behoudens dat de houder van de concessie de gevallen bekendmaakt waarin het aangaan van zodanige afzonderlijke overeenkomsten mogelijk is.
5.4
Ten aanzien van tariefwijzigingen gelden de volgende richtlijnen:
a.
de houder van de concessie is verplicht tariefwijzigingen te limiteren voor:
1º.
het nagenoeg totale pakket van diensten die in het kader van de concessie worden geleverd;
2º.
een pakket van diensten dat representatief kan worden geacht voor de particuliere en klein zakelijk gebruiker;
b.
de onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten en de bijbehorende rekenregels worden nader omschreven in de bijlage, behorende bij dit besluit;
c.
de gewogen tariefontwikkeling zoals gedefinieerd in de formule opgenomen in onderdeel 2.1 van de bijlage, behorende bij dit besluit, met betrekking tot de onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten dient vanaf het basisjaar structureel beneden de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, vanaf het basisjaar te liggen. Of de gewogen tariefontwikkeling hieraan voldoet, wordt vastgesteld met de formule opgenomen in onderdeel 2.1 van de bijlage, behorende bij dit besluit;
d.
Voor de jaren 2000 tot en met 2003 geldt 1999 als basisjaar voor de gewogen tariefontwikkeling van de onder a, onderdelen 1° en 2°, genoemde pakketten (1 januari 1999 = 100). Voor de jaren 2000 tot en met 2003 geldt 1999 als basisjaar voor de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur (1 januari 1999 = 100).
e.
bij het bepalen van de hoogte van een tariefwijziging betrekt de houder van de concessie de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, voor het gehele jaar, waarin de tariefwijziging van kracht wordt;
f.
de houder van de concessie stelt het college ten minste één maand voor de algemene bekendmaking schriftelijk in kennis van een voorgenomen tariefwijziging;
g.
ter zake van de in de bijlage omschreven diensten wordt bij een kennisgeving bedoeld onder f, door de externe accountant van de houder van de concessie geverifieerde, informatie verstrekt waaruit blijkt dat de wijziging in overeenstemming is met het onder c, d en e bepaalde. De houder van de concessie gaat met betrekking tot bedoelde diensten niet over tot invoering van de voorgenomen tariefwijziging indien het college hem binnen 3 weken na de ontvangst van het voornemen heeft bericht van oordeel te zijn dat de wijziging niet in overeenstemming is met het in c, d en e bepaalde, en dat binnen één maand na deze mededeling uitvoering gegeven zal worden aan artikel 15 van de wet.
§
6
Financiële aspecten
6.1
De kosten van het postvervoer ten aanzien van postzendingen die in hoofdzaak tekst bevatten, uitgevoerd in voor blinden bestemde tekens, zoals die naar aard en omvang op het moment van het van kracht worden van deze algemene richtlijnen worden verricht, zijn voor rekening van de houder van de concessie.
6.2
De houder van de concessie stelt een financiële verantwoording voor de activiteiten ter uitvoering van het postvervoer op, die is uitgesplitst over:
overige activiteiten van postvervoer, en die is gescheiden van zijn andere activiteiten.
Ter toetsing of aan vorenstaande richtlijn is voldaan, legt de houder van de concessie jaarlijks een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voor aan het college.
6.3
Ter uitvoering van onderdeel 6.2. gelden de volgende richtlijnen:
a.
de houder van de concessie stelt een toerekeningssysteem voor kosten en opbrengsten vast, dat voldoet aan artikel 14, derde lid, van de richtlijn en dat, in overeenstemming daarmee, beantwoordt aan de beginselen van marktconformiteit, proportionaliteit en integraliteit;
b.
het in onderdeel a bedoelde toerekeningssysteem behoeft de goedkeuring van het college, dat daaraan voorschriften kan verbinden;
c.
de houder van de concessie legt jaarlijks aan het college een verklaring over van de in onderdeel 6.2 bedoelde accountant over de toepassing van het met goedkeuring van het college tot stand gekomen toerekeningssysteem; van vorenbedoelde verklaring doet het college mededeling in de Staatscourant.
§
7
Informatieverstrekking
7.1
De houder van de concessie is verplicht jaarlijks het college te rapporteren over de mate waarin is voldaan aan de wet en deze algemene richtlijnen. Daartoe wordt informatie verstrekt over:
a.
de aard, de omvang en de kwaliteit van de dienstverlening blijkend uit:
1º.
een overzicht van de aantallen in het binnenland vervoerde postzendingen per soort, waarvan de omzet meer dan 5% bedraagt van de totale binnenlandse omzet in geld;
2º.
informatie over het vervoer van postzendingen naar en van het buitenland;
3º.
een overzicht van de aantallen dienstverleningspunten en brievenbussen;
4º.
het percentage op jaarbasis dat aangeeft in welke mate voldaan wordt aan de richtlijn m.b.t. de overkomstduur van binnenlandse brieven, die aan de daartoe gestelde eisen voldoen;
5º.
een overzicht van de ontwikkeling van het aantal afgiftepunten in Nederland;
b.
het aantal geschillen en de aard daarvan dat is voorgelegd aan de commissie als bedoeld in § 9, alsmede over de afdoening daarvan;
c.
de gewogen tariefontwikkeling van de in 5.4, onder a, 1° en 2°, genoemde pakketten en de ontwikkeling van de loonsom, gecorrigeerd voor de arbeidsduur, bedoeld in 5.4;
d.
de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de richtlijnen in § 3, blijkend uit:
1.
een opgave van het aantal gevallen waarin met machtiging van de kantonrechter te 's-Gravenhage overgegaan is tot het openen van onbestelbare postzendingen;
2.
informatie over de wijze waarop bij de bedrijfsvoering zorg wordt gedragen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten;
3.
een overzicht van de gevallen, waarin sprake is geweest van overtreding van de bepalingen in de arbeidsovereenkomst ter zake van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van diensten.
7.2
De houder van de concessie legt desgevraagd zijn meerjarenbeleid met betrekking tot de dienstverlening ter zake van het postvervoer voor aan de Minister.
7.3
De houder van de concessie geeft jaarlijks informatie aan het college over het behaalde rendement en de behaalde financiële resultaten uit het postvervoer te onderscheiden naar de categorieën van activiteiten aangegeven in onderdeel 6.2, onder a en b, zoals deze zijn opgenomen in een overzicht van de omzet en de lasten in enig jaar aan de hand waarvan het netto resultaat van de activiteiten kan worden vastgesteld. Een afschrift van de in de vorige volzin bedoelde informatie wordt door de houder van de concessie aan de minister verstrekt.
7.4
De houder van de concessie is verplicht op verzoek van de Minister die financiële informatie met betrekking tot het tariefbeheersingssysteem te verstrekken die deze nodig heeft voor de evaluatie als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de wet.
7.5
De houder van de concessie zal aan het college een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen, accountant voorleggen over de juistheid en volledigheid van de onder 7.1 en 7.3 genoemde op te leveren gegevens.
7.6
Op basis van de rapportage als bedoeld in § 7, onderdelen 7.1 tot en met 7.5, waarbij voor de eerste maal toepassing is gegeven aan de wijzigingen die dit besluit aanbrengt in het Besluit algemene richtlijnen post, evalueert de minister de resultaten van het tariefbeheersingssysteem, bedoeld in onderdeel 5.4, en toetst deze resultaten aan de vereisten van artikel 12 van de richtlijn.
§
8
Overleg
8.1
De houder van de concessie is verplicht het Overlegorgaan PTT in te stellen, waarbij de Raad van Bestuur van de houder van de concessie als gesprekspartner optreedt. De houder van de concessie draagt zorg voor de opstelling van een reglement, regelende doel en middelen, samenstelling, werkwijze en publiciteit. De samenstelling zal zodanig dienen te zijn dat een representatieve vertegenwoordiging wordt verkregen van gebruikers van de postale dienstverlening.
Voorts zal een vertegenwoordiging uit de kring van regionale overlegorganen zitting krijgen. De leden worden benoemd door het Overlegorgaan. Bij de instelling van het orgaan zal benoeming van de leden geschieden door de minister. De houder van de concessie is verplicht dit overleg ten minste twee maal per jaar te voeren.
8.2
In dit orgaan zullen die aangelegenheden worden besproken die betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de bij deze concessie voorbehouden en opgedragen activiteiten voorzover deze van algemene aard en van ‘landelijke’ strekking zijn.
§
9
Geschillen
Voor geschillen over de toepassing en de uitleg van de algemene voorwaarden is de houder van de concessie verplicht er voor zorg te dragen dat, ten behoeve van contracten die uitsluitend of hoofdzakelijk anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelen, een geschillencommissie wordt ingesteld.
§
10
Diversen
10.1
De houder van de concessie houdt zoveel mogelijk rekening met internationale, met name Europese, standaarden, normen en afspraken, en past deze waar mogelijk toe. Ten aanzien van nieuwe internationale afspraken ter zake verschaft de houder van de concessie tijdig goede voorlichting aan gebruikers en leveranciers.
10.2
De houder van de concessie is verplicht de overheid desgevraagd te ondersteunen op beleidsvoorbereidend en technisch gebied. De hiermede samenhangende kosten worden vergoed.
10.3
Een wijziging van artikel 14, derde lid, de bijlage bedoeld in artikel 18, of artikel 20 van de richtlijn gaat voor de toepassing van de onderdelen 6.3, 2.20 en 2.21 van dit besluit en geldt met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
10.4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene richtlijnen post.
's-Gravenhage
De minister voornoemd, N.Smit-Kroes
Bijlage
behorende bij het Besluit algemene richtlijnen post
De pakketten van diensten en de rekenregels, bedoeld in onderdeel 5.4 van het Besluit algemene richtlijnen post.
1. Omschrijving van de pakketten van diensten
1.1
Het totale pakket postdiensten
Het totale pakket omvat de volgende twee categorieën binnenlandse postzendingen en de postbussendienstverlening:
a.
zes soorten losse postzendingen: brieven; drukwerken/monsters/briefkaarten/drukwerkkaarten; buspakjes; belpakjes; aangetekenden; zendingen met waardeaangifte en
b.
één soort partijenpostzending: brieven tot 100 gram en
c.
postbussendienstverlening.
1.2
Het kleingebruikerspakket postdiensten
Het kleingebruikerspakket omvat het gedeelte van het totale pakket, dat afkomstig is van particuliere en klein zakelijke gebruikers, die uitsluitend tegen de algemeen geldende voorwaarden en tarieven van de post gebruik maken. Het kleingebruikerspakket omvat:
a.
zes soorten losse postzendingen: brieven; drukwerken/monsters/briefkaarten/drukwerkkaarten; buspakjes; belpakjes; aangetekenden; zendingen met waardeaangifte en
b.
één soort partijenpostzending: brieven tot 100 gram en
c.
postbussendienstverlening.
2. De rekenregels
2.1
Formule
De formule, bedoeld in onderdeel 5.4, onder c, van het Besluit algemene richtlijnen post, luidt:
waarbij voor CPBn geldt:
ay = de ontwikkeling van de arbeidsduur in jaar y
ly = de ontwikkeling van de loonsom in jaar y
Mjtn = tariefmutatie van dienst j op enig moment t in jaar n ten opzichte van het basisjaar
Wj = omzetaandeel behorende bij dienst j (omzet dienst j in het basisjaar, gedeeld door totale omzet van het pakket in het basisjaar)
n = jaar n
N = het aantal in een pakket opgenomen diensten
Bij de toepassing van de formule dient het bepaalde in onderdeel 2.2 in acht te worden genomen.
2.2
Het basistarief
Bij de toepassing van de in onderdeel 2.1 van deze bijlage opgenomen formule wordt uitgegaan van één tarief per soort postzending binnen de losse post en partijenpost: het zogenaamde basistarief.
Voor de losse post is het basistarief steeds het tarief voor de eerste (lichtste) gewichtstrap.
Voor partijenpost met staffeltarief wordt het basistarief berekend aan de hand van de tarieven voor de eerste (lichtste) gewichtstrap van de verschillende tarieflijnen, waarbij een weging plaatsvindt met het omzetaandeel per tarieflijn.
Voor post met een lineair tarief is het basistarief per tarieflijn het ongewogen gemiddelde tarief binnen de gewichtsklasse 0 tot 20 gram. Het basistarief voor diensten met een lineair tarief wordt berekend door het gewogen gemiddelde te nemen van de basistarieven van de betreffende tarieflijnen, waarbij de weging plaatsvindt met het omzetaandeel per tarieflijn.
De berekening van het gemiddelde percentage tariefmutatie voor de hogere gewichten per soort postzending geschiedt als volgt:
voor de losse post wordt het ongewogen gemiddelde genomen;
voor de partijenpost met staffeltarief wordt dit percentage berekend door eerst per tarieflijn het ongewogen gemiddelde van de tariefmutaties van die tarieflijn te bepalen, waarna een weging van deze ongewogen gemiddelden plaats vindt met het omzetaandeel per tarieflijn, dat ook voor de berekening van het basistarief wordt gehanteerd;
voor post met een lineair tarief wordt dit percentage berekend door eerst per tarieflijn het ongewogen gemiddelde van de tariefmutaties van die tarieflijn te bepalen, waarna een weging van deze ongewogen gemiddelden plaats vindt met het omzetaandeel per tarieflijn, dat ook voor de berekening van het basistarief wordt gehanteerd. De tariefmutaties worden uitgerekend voor een aantal representatieve ijkpunten, te weten 25, 35, 45, 55, 65, 75, 85 en 95 gram, die samen het lineaire tarief vormen.
Indien het gemiddelde percentage tariefmutatie van de zwaardere gewichtstrappen hoger is dan de procentuele mutatie van het basistarief, dan wordt dit laatste percentage bij de toepassing van de formule vervangen door het betrokken percentage tariefmutatie van de zwaardere gewichtstrappen.