Vaststelling aanwijzingen voor beveiliging staatsgeheimen en vitale onderdelen van de rijksdienst

De minister-president,
Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad,

Besluit:

Artikel

1

Vastgesteld worden de bij dit besluit gevoegde Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de rijksdienst.

Artikel

2

Het Beveiligingsvoorschrift II 1961, vastgesteld bij besluit van de minister-president van 26 september 1961, nr. AC 143715, wordt ingetrokken.

Artikel

3

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit worden de in de aanwijzingen voorziene beveiligingsmaatregelen bij de rijksdienst gerealiseerd.

Artikel

4

's-Gravenhage
De minister-president, R. F. M.Lubbers

Inleiding

Deze aanwijzingen stellen regels ter beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de rijksdienst.

Vitale onderdelen zijn die delen van de rijksdienst die van vitaal belang zijn voor de defensie of voor de instandhouding van het maatschappelijk leven. Te denken valt aan delen van de Rijkswaterstaat. Een omschrijving van het begrip staatsgeheim is te vinden in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht: enig gegeven waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of van zijn bondgenoten wordt geboden. De aanwijzingen beogen een preventieve bescherming toe te voegen aan de repressieve bescherming die het Wetboek van Strafrecht aan deze gegevens biedt.

Beveiligen brengt als regel extra werkzaamheden met zich mee en kan, onder andere in verband met veiligheidsonderzoeken, leiden tot inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Onnodig beveiligen moet daarom worden vermeden en in het geval dat beveiligen noodzakelijk is dient dit zodanig plaats te vinden dat personele beveiligingsmaatregelen een zo beperkt mogelijke rol spelen.

Een probleem in dit verband is dat de inhoud van het begrip staatsgeheim zeer onbepaald is. Voor de invulling van dit begrip moet niet alleen worden gekeken naar het Wetboek van Strafrecht, maar in samenhang daarmee ook naar de Wet openbaarheid van bestuur en bijzondere geheimhoudingsregelingen. De aanwijzingen binden daarom het aanwijzen van gegevens als een staatsgeheim waarop het onderhavige beveiligingsregime van toepassing is, aan een procedure-model.

Uitsluitend een zo klein mogelijk te houden aantal daartoe aangewezen ambtenaren is bevoegd vast te stellen dat een gegeven een staatsgeheim vormt. Bij het bepalen dat een gegeven een staatsgeheim vormt dienen per ministerie vast te stellen richtlijnen in acht te worden genomen. Ter wille van de eenheid in beleid dient het vaststellen van deze richtlijnen plaats te vinden in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken. Bovendien kunnen gegevens in beginsel slechts voor een beperkte tijdsduur als staatsgeheim worden aangewezen.

Naast deze regels, die ertoe strekken het ten onrechte aanwijzen van gegevens als staatsgeheim te voorkomen, bevatten de aanwijzingen regels om het aantal personen dat met staatsgeheimen in aanraking komt zo beperkt mogelijk te houden. Ten einde een juiste toepassing van deze regels te verzekeren worden per ministerie beveiligingsplannen vastgesteld. Deze plannen geven aan hoe de beveiliging binnen de sfeer van een ministerie daadwerkelijk moet worden uitgevoerd. De beveiligingsplannen dienen ook te worden benut om bij de vitale onderdelen tot een zodanig pakket beveiligingsmaatregelen te komen dat de personele beveiliging daarin zover mogelijk is teruggedrongen.

De aanwijzingen zijn bedoeld voor de beveiliging van staatsgeheimen. Zij zijn niet bestemd voor de beveiliging van andere bij de rijksdienst berustende gegevens die ingevolge één der uitzonderingsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur of ingevolge bijzondere geheimhoudingsbepalingen zijn uitgesloten van informatieverstrekking.

Voor zover deze gegevens, naast de bescherming die de regeling van het ambtsgeheim in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht biedt, nog nadere beveiliging behoeven, kunnen andere voorschriften regels stellen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij persoonsgegevens, verwerkt en opgeslagen in geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen bij de rijksdienst.

Bedoelde regelingen zullen – zoals deze aanwijzingen – wat betreft het organisatorisch kader van de beveiliging moeten aansluiten bij het bepaalde in het Beveiligingsvoorschrift I, 1949. Voor het overige kunnen de regelingen ten dele de bepalingen van deze aanwijzingen overnemen of van toepassing verklaren. Ten dele omdat de bepalingen met betrekking tot ambtenaren die in aanraking komen met staatsgeheimen voor een deel, te denken valt bijvoorbeeld aan die betreffende de veiligheidsonderzoeken, berusten op wettelijke regelingen die niet toelaten dat die bepalingen in verband met andere overheidsgeheimen dan staatsgeheimen worden toegepast.

De aanwijzing van een gegeven als staatsgeheim heeft tot gevolg dat het beveiligingsregime van deze aanwijzingen op dat gegeven wordt toegepast.

Nadrukkelijk zij er hier op gewezen dat dit niet betekent dat indien een dergelijk gegeven op grond van de Wet openbaarheid van bestuur wordt opgevraagd, dit verzoek zonder meer kan worden geweigerd. In een dergelijk geval zal het gegeven opnieuw moeten worden getoetst aan de voor geheimhouding en informatieverstrekking geldende normen.

De aanwijzingen gelden voor de rijksdienst. Tot de rijksdienst worden gerekend de ministeries en de daaronder ressorterende diensten, instellingen, bedrijven, raden en commissies. Deze organisaties lopen zeer uiteen wat betreft hun omvang, de hoeveelheid aanwezige staatsgeheimen en de aard van de werkzaamheden die er worden verricht. Bovendien hebben documenten en materiaal waarin staatsgeheimen zijn vastgelegd zeer uiteenlopende verschijningsvormen. Dit maakt het onpraktisch de aanwijzingen op alle punten even gedetailleerd te doen zijn.

Op een aantal plaatsen waar het niet mogelijk bleek gedetailleerde regels te stellen zonder meerdere uitzonderingsbepalingen op te nemen volstaan de aanwijzingen dan ook met globaal geformuleerde minimum normen. Deze globale normen zullen moeten worden uitgewerkt in de eerder genoemde per ministerie vast te stellen beveiligingsplannen.

Ten einde een zo gelijk mogelijk niveau van beveiliging bij de rijksdienst te kunnen bereiken, worden de beveiligingsplannen in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken vastgesteld. Niettegenstaande deze opzet van de aanwijzingen was het gezien de bijzondere structuur van het ministerie van Defensie noodzakelijk voor dit ministerie een aantal uitzonderingsbepalingen op te nemen.

De werking van de aanwijzingen strekt zich niet verder uit dan de rijksdienst.

Het kan echter noodzakelijk zijn staatsgeheimen ook buiten de rijksdienst te brengen. De aanwijzingen staan dit alleen toe indien er voldoende zekerheid bestaat dat de beveiliging overeenkomstig de bepalingen van deze aanwijzingen zal plaatsvinden. Ten einde een dergelijke beveiliging bij niet tot de rijksdienst behorende organisaties die onder de verantwoordelijkheid van ministers werkzaam zijn – zoals bepaalde adviesraden – te bereiken, dienen de betrokken ministers er voor te zorgen dat er voor die organisaties met deze aanwijzingen overeenkomende regelingen worden vastgesteld.

Om bij andere organisaties, bijvoorbeeld particuliere bedrijven, een adequate beveiliging te verzekeren zullen er met die organisaties afspraken moeten worden gemaakt waarbij de naleving van de in deze aanwijzingen vastgelegde beveiligingsregels wordt bedongen.

A

Algemeen

B

Organisatie

C

Rubriceringen

D

Personeel

E

Behandelen van staatsgeheimen

F

Plaatsen waar staatsgeheimen en vitale onderdelen aanwezig zijn

G

Inbreuken op de beveiliging