Artikel
1
1
Een aanvraag tot verlening van een machtiging voor zendinrichtingen, ontvanginrichtingen, draadomroepinrichtingen of telecommunicatie-inrichtingen met gebruik van kabels en kabelwerken, van een aanvullende machtiging voor een draadomroepinrichting dan wel van een ontheffing bedoeld in de artikelen 14 en 25 van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520) dient te geschieden door middel van een daartoe strekkend – volledig en juist ingevuld – formulier.
2
Bij de aanvraag met betrekking tot een draadomroepinrichting dienen te worden verstrekt de technische gegevens die voor de beoordeling van de aanvraag nodig zijn en de gegevens waaruit blijkt dat de continuïteit van de exploitatie van de draadomroepinrichting voldoende wordt gewaarborgd.
3
Bij de aanvraag met betrekking tot een kabelinrichting niet zijnde een kabel over een afstand tot 500 meter, ten aanzien waarvan de houder van de concessie integraal afstand heeft gedaan van het hem op grond van artikel 23 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520) toekomende recht van eerste weigering, als bedoeld in onderdeel II, onder A, van de Bekendmaking van de Minister van Verkeer en waterstaat, nr. HDTP/94/10736/JH, worden de volgende gegevens verstrekt:
-
a.
indien de houder van de concessie naar aanleiding van het verzoek om een offerte heeft kenbaar gemaakt geen belang-stelling te hebben voor het aanleggen van de gevraagde voorziening, de verklaring van geen bezwaar van de houder van de concessie waaruit dit blijkt;
-
b.
indien de houder van de concessie naar aanleiding van het verzoek om een offerte een zodanige offerte heeft uitgebracht:
-
1º.
de door de houder van de concessie uitgebrachte offerte;
-
2º.
een zo volledig mogelijk dossier van de onderhandelingen met de houder van de concessie over de onder 1°. bedoelde offerte;
-
3º.
een door een tweede aanbieder dan wel de aanvrager uitgebrachte offerte.
-
1º.