Artikel
1
In deze beschikking wordt verstaan onder:
de minister van Onderwijs en Wetenschappen tevens handelende vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het wetenschapsbeleid;
de in artikel 2 bedoelde commissie.
dat het onderwijs en onderzoek in een aantal disciplines, sedert een aantal jaren aangeduid als kleine letteren, in de Nederlandse letterenfaculteiten gevaar loopt te verdwijnen;
dat verscheidene rapporten, adviezen en plannen, zoals het rapport-Uhlenbeck, het rapport-Ebeling, het RAWB jaaradvies 1988, het ontwikkelingsplan van de Rijksuniversiteit Leiden en het rapport Tegen de Stroom van de Commissie Geesteswetenschappen van de KNAW, de noodzaak van maatregelen hebben beklemtoond;
Besluit:
In deze beschikking wordt verstaan onder:
de minister van Onderwijs en Wetenschappen tevens handelende vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het wetenschapsbeleid;
de in artikel 2 bedoelde commissie.
Er is een Adviescommissie Kleine Letteren.
De commissie heeft twee hoofdtaken:
het formuleren van voorstellen ten aanzien van de vraag hoe de kwaliteit van onderzoek en onderwijs in de kleine letteren (zoals de oriëntalistiek) en de sociale wetenschappen voorzover zij een functie vervullen voor de kleine letteren verzekerd, resp. verbeterd kan worden. De voorstellen kunnen o.a. ook betrekking hebben op bibliothecaire voorzieningen, recrutering en loopbaanontwikkeling;
advies te geven over de toekomstige positie van en instituutsvorming van deze wetenschappen.
De commissie betrekt zowel de Europese als de mondiale context in haar beschouwingen en richt zich mede tot de universiteiten, de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
De commissie bepaalt zelf haar werkwijze en heeft de mogelijkheid deskundigen en instanties te horen. Zij doet verder alles dat naar haar oordeel dienstig is om de doelstelling te bereiken.
De commissie vergewist zich van een draagvlak in de wetenschappelijke wereld voor haar voorstellen.
Tot voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd:
prof. dr. F. Staal;
tot leden worden benoemd:
prof. dr. S. A. Bonebakker, dr. E. Gene Smith en prof. dr. H. J. Verkuyl.
De commissie voorziet in haar eigen secretariaat.
De commissie wordt ingesteld op 18 juli 1989 en zal de kern van haar werkzaamheden verrichten vanaf augustus 1990. Haar eindrapport zal voor 1 februari 1991 verschijnen.
De kosten van de commissie en de secretaris, alsmede reis- en verblijfkosten en materiële kosten, komen voorzover goedgekeurd voor rekening van de minister van onderwijs en wetenschappen.
Deze beschikking zal met de bijbehorende toelichting in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Afschrift zal worden gezonden aan: voorzitter en leden van de commissie; voorzitters van de colleges van Bestuur van de instellingen voor wetenschappelijk onderwijs;
de president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen;
de voorzitter van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid;
de voorzitter en het bestuur van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek;
de voorzitter van de Adviesraad Hoger Onderwijs;
de voorzitter van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten;
de voorzitter van de Onderwijsraad;
de president van de Algemene Rekenkamer.