Besluit van 19 februari 1990, ter uitvoering van artikel 951f van het Wetboek van Koophandel

Besluit ex artikel 951f Wetboek van Koophandel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1989, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 543/689;
De Raad van State gehoord (advies van 21 december 1989, no. W03.89.0613);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 8 februari 1990, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 5439/690;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

2a

Artikel

3

Aan de in de artikelen 1, 2 en 2a vermelde bedragen worden toegevoegd de wettelijke interessen berekend van de aanvang van de dag volgende op de dag van het voorval, dat aanleiding gaf tot de vordering, tot de aanvang van de dag volgende op de dag waarop hij die een verzoek tot beperking van zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed aan een hem krachtens artikel 320c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgelegd bevel.

Artikel

4

De rekeneenheid, genoemd in de artikelen 1, 2 en 2a, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in de artikelen 1, 2 en 2a worden omgerekend in Nederlands geld naar de koers van de dag waarop de schuldenaar voldoet aan een ingevolge artikel 320c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot storting of andere zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse geld, uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.

Artikel

5

Ieder van de in de artikelen 1, 2 en 2a bedoelde fondsen is uitsluitend bestemd voor de voldoening van de vorderingen waarvoor het is ingesteld, met dien verstande dat, indien het personenfonds onvoldoende is voor de volledige voldoening van de vorderingen waartoe het moet worden aangewend, het zakenfonds mede zal worden aangewend voor de voldoening van het overblijvende saldo van die vorderingen en dit overblijvende saldo naar evenredigheid zal meedelen met de in artikel 1, eerste lid, onder c. genoemde vorderingen.

Artikel

6

Dit besluit treedt in werking tegelijk met de wet van 14 juni 1989, Stb. 239.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Justitie, A. Kosto
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin