Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
de ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat.
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder:
de ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Volkshuisvesting. Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Verkeer en Waterstaat.
Er is een commissie van deskundigen inzake stikstofbemestingsgiften en overige maatregelen omtrent stikstofemissies naar grond- en oppervlaktewater, hierna te noemen: de commissie.
De commissie heeft tot taak het adviseren van Onze ministers ten aanzien van:
de kwantificering en vastlegging van stikstofbemestingsgiften en overige maatregelen omtrent stikstofemissies naar grond- en oppervlaktewater waarbij de in het Nationaal Milieubeleidsplan, de Structuurnota Landbouw, de derde Nota waterhuishouding, het Plan van aanpak beperking ammoniakemissie van de landbouw, het Rijnactieprogramma en het Noordzee-actieprogramma genoemde milieudoelstellingen aangaande stikstof kunnen worden gerealiseerd, mede in relatie met de op fosfaat gebaseerde regelgeving voor dierlijke mest en het bestaande beleid ten aanzien van ammoniak;
de verschillende mogelijkheden om de milieudoelstellingen te bereiken en alle bijbehorende landbouwkundige gevolgen;
de wijze waarop eventuele afwenteling van milieuproblemen van het ene naar het andere milieucompartiment kan worden voorkomen, waarbij tevens de natuuraspecten in de beschouwing worden betrokken;
de mogelijkheid tot fasering van de voorgestelde maatregelen;
voorstellen voor onderzoek dat noodzakelijk is voor realisatie van de in onderdeel a genoemde doelstellingen, uitgewerkt voor de jaren 1991 en 1992.
Tot voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd.
dr. ir. J. H. J. Spiertz van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek.
Tot plaatsvervangend voorzitter, tevens lid van de commissie wordt benoemd:
dr. ir. J. J. Neeteson, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
Tot secretaris-rapporteur, tevens lid van de commissie worden benoemd:
drs. P. C. Meewissen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek;
ir. F. R. Goossensen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu.
Tot leden van de commissie worden benoemd:
ir. C. G. E. M. van Beek, van het Keuringsinstituut voor Waterleiding Artikelen;
ir. P. J. M. van Boheemen, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Veehouderij en Milieu;
ir. W. van Duijvenbooden, van het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne;
ir. D. W. de Hoop, van het Landbouw Economisch Instituut;
dr. ir. B. H. Janssen, van de Landbouw Universiteit Wageningen,
drs. W. J. ter Keurs, van de Rijksuniversiteit Leiden;
ir. W. Luten, van het Proefstation voor de Rundveehouderij;
ir. H. G. van der Meer, van het Centrum voor Agrobiologisch Onderzoek;
ir. M. Miedema, van het Informatie- en Kenniscentrum, afdeling Milieu, Kwaliteit en Techniek:
ir. J. H. A. M. Steenvoorden, van het Instituut voor Onderzoek van het Landelijk Gebied;
ir. E. J. B. Uunk, van de Dienst Binnenwateren Rijksinstituut Zuivering Afvalwater;
ir. W. P. Wadman, van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid.
De commissie legt haar bevindingen neer in een uiterlijk 1 november 1990 aan Onze ministers uit te brengen rapportage.
De voorbereidende stukken die betrekking hebben op de adviezen als bedoeld in artikel 1 worden ter beschikking gehouden van Onze ministers.
De commissie wordt ingesteld tot 1 januari 1992.