Regelen uitrusting bij vluchten, niet zijnde verkeersvluchten

De minister van Verkeer en Waterstaat,
Gezien bijlage 6 (Operation of Aircraft), deel II (International General Aviation), van het Verdrag inzake de Internationale burgerluchtvaart,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
afgebroken naderingsprocedure:

de procedure, die gevolgd moet worden, als de nadering niet voortgezet kan worden;

b.
beslissingshoogte:

een vastgestelde hoogte, gedurende een naderingsvlucht met electronische azimuth- en glijpadgeleiding, waarop een afgebroken naderingsprocedure moet worden aangevangen indien de vereiste visuele referentie om een landing uit te voeren niet is verkregen;

c.
grondtoezicht;

het zicht op een luchtvaartterrein, zoals bepaald door een bevoegde waarnemer of met daartoe bestemde apparatuur;

d.
instrumentnaderingsprocedure:

een opeenvolging van vooraf bepaalde (vlieg-)manoeuvres met behulp van blindvlieginstrumenten, onder toepassing van vastgestelde beschermingscriteria met betrekking tot hindernissen, die aanvangt boven een aanvangsnaderingspositie of indien van toepassing bij het begin van een vastgestelde naderingsroute en eindigt boven een punt van waar een landing kan worden uitgevoerd, dan wel als de landing niet wordt voltooid, boven een positie waar de minimum hoogtemarge boven hindernissen met betrekking tot wachtgebieden of luchtverkeersroutes van toepassing is;

e.
minimum dalingshoogte:

de laagste hoogte waarnaar een daling zonder visuele referentie is toegestaan gedurende een naderingsvlucht zonder electronische glijpadgeleiding;

f.
minimum hindernisvrije hoogte:

de door het bevoegde gezag bepaalde en gepubliceerde vlieghoogte, waar beneden tijdens een nadering de voorgeschreven hoogtemarge boven hindernissen niet kan worden gehandhaafd.

g.
punt van afgebroken nadering:

dat punt in een instrumentnaderingsprocedure, waarop uiterlijk de voorgeschreven afgebroken naderingsprocedure aangevangen moet worden, teneinde te verzekeren dat de minimum hoogtemarge boven hindernissen wordt gehandhaafd;

h.
uitwijkhaven:

een luchtterrein aangegeven in het vliegplan, waarheen een vlucht kan worden vervolgd, indien moet worden afgezien van landing op het luchtvaartterrein van bestemming;

i.
vliegplan:

bepaalde inlichtingen verstrekt aan luchtverkeersdiensten met betrekking tot een voorgenomen vlucht, dan wel een deel daarvan;

j.
weerminima:

de grenswaarden met betrekking tot de weersomstandigheden waaronder een luchtvaartterrein voor het opstijgen dan wel het landen kan worden gebruikt;

k.
weersinformatie:

weerrapport; weersanalyse of verwachting en elke andere informatie met betrekking tot bestaande of verwachte weersomstandigheden.

Artikel

2

Toepassing

De bepalingen van deze regeling zijn van toepassing op vluchten, niet zijnde verkeersvluchten, met vleugelvliegtuigen.

Artikel

3

Opsporings- en Reddingsdiensten

De gezagvoerder moet aan boord van het vliegtuig de van belang zijnde informatie ter beschikking hebben met betrekking tot de opsporings- en reddingsdiensten van het gebied, waarover de vlucht zal worden uitgevoerd.

Hoofdstuk

II

Vluchtvoorbereiding en vluchtuitvoering

Artikel

4

Luchtvaartterreinen en hulpmiddelen op de grond

Artikel

5

Weerminima luchtvaartterreinen

Artikel

6

Voorlichting inzittenden

De gezagvoerder is verplicht de inzittenden op de hoogte te stellen of te doen stellen van plaats en gebruik van veiligheidsgodels, en, indien van toepassing:

  • a.

    nooduitgangen;

  • b.

    zwemvesten;

  • c.

    ademhalingszuurstofuitrusting;

  • d.

    andere nooduitrusting.

Artikel

7

Voorzorgsmaatregelen voor de luchtwaardigheid en de vliegveiligheid

Artikel

8

Weerrapporten en weersverwachtingen

Artikel

9

Beperkingen in verband met weersomstandigheden

Artikel

10

Bedrijfsstoffen

Artikel

11

Zuurstofvoorziening

Het is verboden een vlucht aan te vangen, welke zal worden uitgevoerd op hoogten, waar gebrek aan zuurstof kan resulteren in het verminderd functioneren van het stuurhutpersoneel of in schadelijke gevolgen bij de overige inzittenden, tenzij aan boord van het vliegtuig voldoende ademhalingszuurstof beschikbaar is.

Hoofdstuk

III

Vliegtuigprestaties

Artikel

12

Gebruiksgrenzen

Een vlucht moet worden uitgevoerd met inachtneming van de prestatiegegevens, beperkingen en berekeningsmethodes die in het vlieghandboek zijn opgenomen.

Hoofdstuk

IV

Instrumenten en uitrusting

Artikel

13

Algemeen

Het vliegtuig moet zijn voorzien van de instrumenten, installaties, systemen en uitrustingsstukken alsmede de hiermede verband houdende middelen voor de bediening en bewaking van de werking, die het de leden van het stuurhutpersoneel mogelijk maakt in de te verwachten omstandigheden de vliegbaan van het vliegtuig te beheersen, elke vereiste procedure uit te voeren en de gebruiksbeperkingen van het vliegtuig in acht te nemen.

Artikel

14

Instrumenten bij VFR-vluchten

Tijdens de uitvoering van een VFR-vlucht moet het vliegtuig, behalve van de instrumenten die volgens de luchtwaardigheidseisen zijn voorgeschreven, tevens zijn voorzien van een uurwerk, dat de tijd in uren, minuten en seconden aangeeft, tenzij de bestuurder een dergelijk uurwerk bij zich heeft.

Artikel

15

Instrumenten bij IFR-vluchten

Artikel

16

Uitrusting

Artikel

17

Vluchten over watervlakten

Aan boord van een landvliegtuig, dat de vlucht met één motor buiten werking kan voortzetten en dat zich boven water meer dan 200 zeemijlen zal verwijderen van land dat geschikt is voor een noodlanding, moet de uitrusting als vermeld onder b van dit artikel aanwezig zijn.

Artikel

18

Vluchten boven gebieden, waar opsporing en redding bijzondere moeilijkheden opleveren

Voor het uitvoeren van een vlucht boven gebieden welke, door de betreffende Staat zijn aangewezen als gebieden waar opsporing en redding bijzondere moeilijkheden kunnen opleveren, moet het vliegtuig zijn voorzien van:

  • a.

    een doelmatig op VHF werkende noodzender, die zodanig moet zijn opgeborgen dat deze in noodgevallen gemakkelijk bereikbaar is. De zender moet draagbaar zijn, onafhankelijk van de electrische boordinstallatie kunnen werken en verwijderd van het vliegtuig kunnen worden bediend door ongeoefende personen;

  • b.

    sein- en reddingsmiddelen, waaronder middelen om inzittenden in leven te houden, afgestemd op het betreffende gebied.

Artikel

19

Vluchten bij nacht

Voor het uitvoeren van een vlucht bij nacht, moet het vliegtuig behalve van de instrumenten die volgens de luchtwaardigheidseisen zijn voorgeschreven tevens zijn voorzien van:

  • a.

    de instrumenten zoals bedoeld in artikel 15;

  • b.

    verlichting van alle door het stuurhutpersoneel te gebruiken instrumenten en installaties;

  • c.

    een installatie, die de gezagvoerder in staat stelt de lichten te voeren, die zijn voorgeschreven krachtens het Luchtverkeersreglement-1980;

  • d.

    een landingslichtinstallatie;

  • e.

    verlichting in de passagiersruimte;

  • f.

    een elektrische zaklantaarn voor ieder lid van het stuurhutpersoneel.

HOOFDSTUK

V

Vliegtuiginstallaties voor communicatie en navigatie

Artikel

20

Telecommunicatie-installatie

Artikel

21

Navigatie-installatie

Hoofdstuk

VI

Slotbepalingen

Artikel

22

Intrekking

De beschikking van de directeur-generaal van 16 oktober 1983, nr. LI/12656, wordt ingetrokken.

Artikel

23

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking de tweede dag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

's-Gravenhage
De minister van Verkeer en Waterstaat,J. R. H.Maij-Weggen