Regelen voorbereiding en uitvoering rondvluchten

De minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

I

Vluchtvoorbereiding

Artikel

1

Toepassing

Het is verboden een rondvlucht uit te voeren of te doen uitvoeren tenzij aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan.

Artikel

2

Luchtwaardigheid

Het voor een rondvlucht te gebruiken vliegtuig is bij de luchtwaardigheidskeuring door de Minister van Verkeer en Waterstaat geaccepteerd voor het uitvoeren van verkeersvluchten.

Artikel

3

Prestaties van het vliegtuig

Bij elke vlucht moet kunnen worden voldaan aan de eisen, welke met betrekking tot het gewicht op grond van de daarmede samenhangende prestaties van het voor die vlucht te gebruiken vliegtuig door de Minister van Verkeer en Waterstaat in verband met de veiligheid van de vlucht zijn gesteld.

Artikel

4

Bemanning bij IFR-vluchten

De bemanning moet ten minste uit een eerste en een tweede bestuurder bestaan

  • a.

    tijdens een IFR-vlucht;

  • b.

    wanneer één van de bestuurders de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De andere bestuurder moet in dat geval jonger dan 60 jaar zijn.

Artikel

5

Belading

De gezagvoerder is verplicht zich voor elke vlucht te overtuigen dat de maximaal toegelaten totaalmassa van het vliegtuig niet wordt overschreden en het zwaartepunt binnen veilige begrenzingen ligt.

Artikel

5a

Veiligheidstuig

Ongeacht de luchtwaardigheidseisen met betrekking tot veiligheidstuig, welke voor de eerste afgifte van het Nederlandse bewijs van luchtwaardigheid op het luchtvaartuig van toepassing waren, moeten de voorste zitplaatsen zijn uitgerust met driepunts of vierpunts veiligheidstuig.

Artikel

6

Brandstof en smeerolie

Voor elke vlucht moeten, rekening houdende met meteorologische omstandigheden, de te verwachten vertragingen tijdens de vlucht, alsmede met het uitvallen van een voorstuwingsinrichting zodanige hoeveelheden brandstof en smeerolie aan boord van het vliegtuig aanwezig zijn, dat de vlucht kan worden volbracht.

Artikel

7

Instrumenten bij IFR-vluchten

Artikel

8

Radio-installaties bij VFR-en IFR-vluchten

Artikel

9

Installaties voor navigatie

Artikel

10

Identificatieapparatuur ten behoeve van de verkeersleiding

Artikel

11

Bestrijding van ijsafzetting

Bij een vlucht, uit te voeren in weersomstandigheden, waarbij ijsafzetting zal optreden, dan wel kan worden verwacht, moet het vliegtuig voor de bestrijding van ijsafzetting zijn uitgerust.

Artikel

12

Vluchten bij nacht

Het vliegtuig moet tijdens een vlucht bij nacht zowel zijn voorzien van de in artikel 7 genoemde instrumenten als van:

  • a.

    verlichting voor alle, door de bemanning te gebruiken instrumenten en installaties, welke nodig zijn om het vliegtuig op veilige wijze te kunnen bedienen;

  • b.

    een installatie, welke de bestuurder in staat stelt de lichten te voeren, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het Luchtverkeersreglement;

  • c.

    een elektrische zaklantaarn voor ieder dienstdoend lid van het boordpersoneel.

Artikel

13

Handbrandblusapparaten

Tijdens de vlucht moeten aan boord van het vliegtuig handbrandblusapparaten aanwezig zijn van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat toegelaten type, met dien verstande, dat deze ten minste moeten zijn aangebracht in de stuurhut, alsmede in elke personeelsafdeling, welke is afgescheiden van de stuurhut en welke niet gemakkelijk toegankelijk is voor één van de bestuurders.

Artikel

14

Opschriften en toegang tot ruimten van het boordpersoneel

Artikel

15

Merktekens openhakplaatsen

Indien op de romp van het vliegtuig de plaatsen, welke geschikt zijn om in noodgevallen door reddingsploegen te worden opengehakt, worden aangegeven, moet dit geschieden overeenkomstig de hier volgende tekening. De kleur van de merktekens moet rood of geel zijn. Indien dit nodig is om voldoende contrast met de ondergrond op te leveren, moeten zij met wit zijn omlijnd. Indien de onderlinge afstand van de hoekmerktekens meer dan 200 cm bedraagt, moeten hiertussen merktekens van 9 × 3 cm, als aangegeven in de tekening, zodanig worden aangebracht, dat de afstand tussen twee opeenvolgende merktekens niet meer dan 200 cm bedraagt.

Hoofdstuk

II

Vluchtuitvoering

Artikel

16

Toepassing

Het is verboden een rondvlucht uit te voeren of te doen uitvoeren, tenzij aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan.

Artikel

17

Bemanning

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de leden van de bemanning op de hoogte zijn van de met de uitvoering van hun taak verband houdende bepalingen en procedures, welke betrekking hebben op de gebieden, waarover gevlogen zal worden, op de terreinen, waar gestart en geland zal worden en op de navigatiehulpmiddelen voor deze gebieden en terreinen.

Artikel

18

Taak en verantwoordelijkheid personeel

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de leden van zijn personeel, die werkzaamheden verrichten ten behoeve van de vluchtuitvoering:

  • a.

    behoorlijk van hun taak en verantwoordelijkheid op de hoogte zijn;

  • b.

    het verband kennen tussen hun persoonlijke taak en de vluchtuitvoering als geheel.

Artikel

19

Stuurhut-controlesysteem

Artikel

20

Werk- en rusttijden

Artikel

21

Noodtoestand

De ondernemer is verplicht er voor te zorgen, dat de passagiers worden ingelicht omtrent de plaats en het gebruik van de veiligheidstuigen of gordels en de nooduitgangen.

Artikel

22

Intrekking

De beschikking van de directeur-generaal van 5 september 1975, nr. LI/L 25936, zoals deze laatstelijk is gewijzigd met beschikking LI/L22904, dd. 26 juli 1978, wordt ingetrokken.

Artikel

23

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de tweede dag na de datum van verschijning van de Nederlandse Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst.

's-Gravenhage
De minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H.Maij-Weggen