Artikel
1
Er is een commissie positiebepaling beroep van verpleegkundige en verzorgende, hierna te noemen de commissie.
Besluit:
Er is een commissie positiebepaling beroep van verpleegkundige en verzorgende, hierna te noemen de commissie.
De commissie heeft tot taak voorstellen te doen omtrent maatregelen die leiden tot het waarborgen respectievelijk vergroten van de aantrekkelijkheid van het beroep van verpleegkundige en verzorgende. Deze maatregelen kunnen in het bijzonder betrekking hebben op:
het verbeteren van de beeldvorming omtrent het beroep van verpleegkundige en verzorgende;
betere afstemming van dagopleiding en inservice opleiding tot verpleegkundige, zodanig dat een helder, overzichtelijk en kwalitatief hoogwaardig stelsel van beroepsonderwijs ontstaat.
het evenwicht dat in de loop der komende jaren wenselijk is waar het de behoefte aan personeel en de omvang van werkzaamheden in genoemde beroepsgroepen betreft. Hierbij ware rekening te houden met werkdruk en ontwikkelingen in de intra- en extramurale sector, waarbij het aspect van een adequate beroepskrachtenplanning voor de komende tien jaar wordt betrokken,
de wijze waarop een toekomstig stelsel van honorering tot stand kan komen, zodanig dat daarin zowel de zwaarte van het beroep als de economische waarde en functiedifferentiatie-mogelijkheden aan de orde komen.
De Commissie geeft aan welke de financiële gevolgen zijn van de door haar voorgestelde maatregelen en op welke wijze naar haar oordeel in die gevolgen kan worden voorzien.
Het secretariaat van de commissie wordt gevormd door:
de secretaris: mevrouw drs. G. H. Okma;
de adjunct-secretaris: mevrouw F. L. Doorduijn-Rijkelijkhuizen.
Ter uitvoering van haar werkzaamheden kan de commissie werkgroepen instellen. Voorts kan zij externe deskundigen en maatschappelijke organisaties raadplegen.
De commissie regelt zelf haar werkzaamheden.
De commissie brengt binnen zes maanden na datum van haar instelling advies uit aan de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Zo nodig kan de commissie een interim-advies uitbrengen.
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182) op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. De bescheiden worden bij opheffing van de commissie in het Centraal oud archief van het ministerie opgenomen.