Besluit van 19 november 1990, houdende nadere regeling van de rechtspositie van de Nationale ombudsman

Besluit nadere regeling rechtspositie Nationale ombudsman

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 19 september 1990, nr. CW90/192/U2, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving;
Overwegende, dat het wenselijk is een nadere regeling te treffen omtrent de rechtspositie van de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman;
De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 1990, nr. W04.90.0472);
Gezien het nader rapport van onze Minister van Binnenlandse Zaken van 2 november 1990, nr. CW90/192/U7, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

De Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman ontvangen een ziektekostenvergoeding, een vergoeding van verplaatsingskosten alsmede een uitkering ter zake van veeljarige dienst op de voet van de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn of zullen worden vastgesteld.

Artikel

2

Artikel

3

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin