Vaststelling premiepercentages a.a.w., a.o.w. en a.w.w. en fictief a.a.w. per 1 januari 1991

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 11, eerste, derde en vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129) en artikel 2 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Stb. 1989, 127);
De Sociale Verzekeringsraad gehoord;

Besluit:

Artikel

1

Goedkeuring wordt onthouden aan het als bijlage 2 bijgevoegde besluit van de Sociale Verzekeringsbank van 25 juni 1990 inzake de vaststelling van het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering. Dit percentage wordt voor het jaar 1991 vastgesteld op 14,05.

Artikel

2

Goedkeuring wordt onthouden aan het als bijlage 3 bijgevoegde besluit van de Sociale Verzekeringsbank van 25 juni 1990 inzake de vaststelling van het premiepercentage voor de algemene weduwen en wezenverzekering. Dit percentage wordt voor het jaar 1991 vastgesteld op 1,10.

Artikel

3

Goedkeuring te verlenen aan artikel 1 van het als bijlage 1 bijgevoegde besluit van het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds van 20 juni 1990 inzake de vaststelling van het premiepercentage voor de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel

4

Goedkeuring wordt onthouden aan artikel 2 van het als bijlage 1 bijgevoegde besluit van het bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds van 20 juni 1990 inzake de vaststelling van het fictieve premiepercentage algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit percentage wordt voor het jaar 1991 vastgesteld op 6,15.

Artikel

5

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1991.

's-Gravenhage
De Staatssecretaris voornoemd, E. terVeld