Wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging

Wet op de lijkbezorging

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe wettelijke bepalingen inzake de lijkbezorging vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Lijkbezorging geschiedt door begraving, crematie of op andere bij of krachtens de wet voorziene wijze.

Artikel

2

Hoofdstuk

II

Algemene voorschriften voor de lijkbezorging

§

1

Lijkschouwing en identificatie

Artikel

3

Lijkschouwing geschiedt, zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.

Artikel

4

Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke lijkschouwers.

Artikel

5

Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

10a

§

2

Verlof tot begraving of crematie

Artikel

11

Geen begraving of crematie van een lijk geschiedt zonder schriftelijk verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat kosteloos wordt afgegeven. Het formulier voor dit verlof wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld.

Artikel

11a

Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan een menselijke vrucht als bedoeld in dat artikel worden begraven of gecremeerd mits een verklaring van de behandelende arts wordt overgelegd, waaruit blijkt dat het een menselijke vrucht als bedoeld in dat artikel betreft.

Artikel

12

De ambtenaar van de burgerlijke stand verleent geen verlof tot begraving of crematie indien hij niet beschikt over een verklaring van overlijden, afgegeven door de behandelende arts of een gemeentelijke lijkschouwer, dan wel een verklaring waaruit blijkt van geen bezwaar van de officier van justitie tegen begraving of crematie. Indien de officier van justitie in de gevallen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, meent niet tot de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen begraving of crematie te kunnen overgaan, stelt hij de gemeentelijke lijkschouwer en de regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld in kennis.

Artikel

12a

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur afwijkingen toestaan van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3 van dit hoofdstuk ten aanzien van lijken, die Nederland worden binnengebracht.

§

3

Termijn

Artikel

16

Begraving of crematie geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.

Artikel

17

§

4

Voorziening in de lijkbezorging

Artikel

18

Artikel

19

§

5

Overheidszorg

Artikel

20

Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het overlijden.

Artikel

21

Artikel

22

De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de werkgever indien en voor zover kosten van de lijkbezorging op grond van artikel 720, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor diens rekening komen. Paragraaf 6.5 van de Participatiewet is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel

22a

Hoofdstuk

III

Begraving

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

23

Artikel

24

De begraafplaatsen worden onderscheiden in gemeentelijke en bijzondere.

Artikel

25

Het is verboden een begraafplaats, die niet op de voet van het bepaalde bij of krachtens deze wet is aangelegd of in gebruik genomen, als zodanig ter beschikking te stellen of te gebruiken.

Artikel

26

Geen toegang of ingang van een graf of grafkelder mag zich bevinden of worden aangelegd in een kerk of een ander gesloten gebouw, dat niet uitsluitend tot begraven bestemd is.

Artikel

27

Artikel

27a

Ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf doet de houder van de begraafplaats daarvan schriftelijk mededeling aan de belanghebbende bij dat graf wiens adres hem bekend is.

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel 29 is niet van toepassing bij een opgraving ingevolge een bevel van een gerechtelijke autoriteit met het oog op een strafrechtelijk onderzoek.

Artikel

31

Artikel

32

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van begraven, de inrichting van het graf, de afstand van de graven onderling, het ruimen van de graven, het verwijderen van grafmonumenten en de teraardebestelling van de overblijfselen der lijken.

§

2

Gemeentelijke begraafplaatsen

Artikel

33

Een gemeente heeft voor zich of met een of meer andere gemeenten tezamen tenminste een gemeentelijke begraafplaats, tenzij gedeputeerde staten van deze verplichting tijdelijk ontheffing hebben verleend.

Artikel

34

Vervallen

Artikel

35

Tenminste elke dag welke geen zondag of algemeen erkende feestdag is, wordt gelegenheid tot begraven gegeven gedurende een redelijke tijd, bij gemeentelijke verordening te bepalen.

Artikel

36

§

3

Bijzondere begraafplaatsen

Artikel

37

Artikel

38

Een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer kerkelijke begraafplaatsen tot een zodanige uitgestrektheid, als overeenkomt met een redelijk deel van de grond, welke in de gemeente voor begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een kerkgenootschap op zijn verzoek toestaan, meer of grotere begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van de andere kerkgenootschappen, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats of van een deel daarvan is de toestemming van burgemeester en wethouders nodig. Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan.

Artikel

42

§

4

Sluiting en opheffing van begraafplaatsen

Artikel

43

Artikel

44

Indien op een begraafplaats gedurende tien jaren geen begraving meer heeft plaats gehad, kunnen burgemeester en wethouders de begraafplaats gesloten verklaren. De begraafplaats wordt alsdan geacht met ingang van de dag na die van de laatste begraving te zijn gesloten. Deze dag wordt in het besluit van burgemeester en wethouders vermeld.

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

Een begraafplaats houdt op dit te zijn, indien de grond die bestemming heeft verloren en zich daarin geen graf bevindt.

Artikel

48

Onder begraafplaats wordt voor de toepassing van deze wet mede een gedeelte van een begraafplaats verstaan.

Hoofdstuk

IV

Crematie

Afdeling

1

Algemene bepalingen

Artikel

49

Crematie geschiedt in een crematorium.

Artikel

50

Afdeling

2

Crematoria

Artikel

51

Artikel

52

Een bijzonder crematorium kan slechts worden gevestigd en in werking gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon. Artikel 37, tweede lid, is van toepassing.

Artikel

53

Het vestigen, uitbreiden of wijzigen van een bijzonder crematorium behoeft een vergunning van burgemeester en wethouders.

Artikel

54

Een besluit tot vestiging van een gemeentelijk crematorium dan wel een besluit tot het verlenen van vergunning voor het vestigen van een bijzonder crematorium wordt niet genomen, dan nadat burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging het voornemen daartoe ten minste dertig dagen tevoren ter openbare kennis hebben gebracht.

Artikel

55

Artikel

56

Ten minste elke dag welke geen zondag of algemeen erkende feestdag is, wordt in een gemeentelijk crematorium gelegenheid gegeven tot het houden van crematieplechtigheden gedurende een redelijke tijd, bij gemeentelijke verordening te bepalen.

Artikel

57

Wij kunnen omtrent de inrichting van crematoria en omtrent hetgeen in de crematoria en op hun erven in acht moet worden genomen bij algemene maatregel van bestuur regelen stellen.

Afdeling

3

Berging, bestemming en bewaring van as

§

1

Algemeen

Artikel

58

Artikel

59

Artikel

60

Artikel

61

Omtrent de berging, de bestemming en de bewaring van de as kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.

§

2

Het bijzetten van de asbus

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

§

3

Het verstrooien van de as

Artikel

66a

Artikel

66b

De bestemming van een terrein om permanent as op te verstrooien door de houder van een crematorium en de houder van een plaats van bijzetting vindt niet plaats dan met vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het terrein is gelegen.

Hoofdstuk

V

Bijzondere wijzen van lijkbezorging

Artikel

67

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de wijze, waarop met lijken van personen of van doodgeborenen, aan boord van Nederlandse schepen op zee overleden onderscheidenlijk ter wereld gekomen, gehandeld dient te worden. Daarbij worden de gevallen geregeld, waarin een lijk overboord wordt gezet of aan een conserverende bewerking wordt onderworpen.

Hoofdstuk

VI

Bijzondere bepalingen

Artikel

71

Artikel

72

Artikel

73

Artikel

74

Artikel

75

Het verrichten van sectie geschiedt door een arts, nadat deze zich er van tevoren van heeft vergewist dat het intreden van de dood door een andere arts is vastgesteld en aan de vereisten, geldend ingevolge de artikelen 72, 73 en 74, is voldaan.

Artikel

76

Artikel

77

De bevoegdheden die artikel 76 aan de officier van justitie toekent, komen mede toe aan de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen in de zaak verricht.

Artikel

78

Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen met betrekking tot het vervoer van lijken uit Nederland naar het buitenland en uit het buitenland naar Nederland.

Artikel

79

Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen betreffende de in deze wet geregelde onderwerpen voor de territoriale zee en voor het aan Nederland grenzende deel van het continentale plat, waarop het Koninkrijk souvereine rechten heeft, en voor landen buiten Nederland voor het geval aldaar door of vanwege Nederlandse militaire autoriteiten ter uitvoering van een internationale overeenkomst handelingen, die onderwerpen betreffende, verricht kunnen worden. In die regelen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de in Nederland geldende wettelijke bepalingen.

Hoofdstuk

VII

Strafbepalingen

Artikel

80

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

  • 1°.

    het bezorgen, bewaren, wegmaken, vervoeren, vernietigen, ontleden, balsemen of conserverend behandelen van een lijk in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 11, 23, 25, 29, derde lid, 46, eerste lid, 49, 67, 68, 69, tweede lid, 70, 71, 76 en 78;

  • 2°.

    het geven van verlof tot begraving of crematie in strijd met de artikelen 12 en 76, derde lid;

  • 3°.

    het begraven, cremeren, ontleden, balsemen of op andere wijze conserverend behandelen van een lijk voordat dit ingevolge het bij of krachtens de artikelen 16, 17 of 69, eerste lid, bepaalde is toegestaan;

  • 4°.

    overtreding van artikel 58, 59 of 60;

  • 5°.

    het verwijderen of ruimen van een asbus in strijd met de artikelen 63 of 66;

  • 6°.

    overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 76, vierde lid;

  • 7°.

    het verrichten van sectie of het verwijderen van delen uit een lijk in strijd met het bepaalde bij de artikelen 72-75 en 76, tweede lid;

  • 8°.

    het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing dan wel een poging daartoe.

Artikel

81

Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

Artikel

82

De ingevolge deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk

VIII

Overgangs- en slotbepalingen

§

1

Overgangsbepalingen

Artikel

83

Artikel

84

Het recht op een eigen graf, verleend vóór het in werking treden van deze wet, wordt geacht een uitsluitend recht op een graf in de zin van artikel 28 te zijn.

Artikel

84a

Indien ten aanzien van een graf waarop voor 1 januari 2010 een uitsluitend recht is gevestigd, voor 1 januari 2025 een verklaring van verwaarlozing als bedoeld in artikel 28, vierde lid, is opgesteld, vervalt het recht, in afwijking van artikel 28, zesde lid,

  • a.

    met ingang van 1 januari 2030, mits op dat tijdstip dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf dan wel

  • b.

    op een later gelegen tijdstip waarop dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf.

Artikel

84b

Indien een graf op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet ingevolge deze wet mag worden geruimd, gaat op dat tijdstip hetgeen op dat graf is geplaatst, of het gebouw of werk waarin het graf zich bevindt, dan wel, indien is begraven in een grafkelder, hetgeen daarin of daarop is geplaatst, en door toepassing van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek voor de oorspronkelijke rechthebbende verloren is gegaan, over op die oorspronkelijk rechthebbende of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel, en is vanaf dat tijdstip artikel 32a daarop van toepassing. Er ontstaat geen verplichting tot vergoeding van enig door deze overgang veroorzaakt vermogensrechtelijk nadeel.

Artikel

85

Artikel

86

§

2

Slotbepalingen

Artikel

87

Artikel

88

Een besluit waartegen ingevolge deze wet beroep openstaat of aanhangig is treedt, zolang dit het geval is, niet in werking, onverminderd het bepaalde in artikel 31, vierde lid.

Artikel

90

De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

Artikel

91

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

92

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

93

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

94

De Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65) wordt ingetrokken.

Artikel

96

Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. J. Simons
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin