Artikel
1
De inzage, bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (Stb. 1991, 78) geschiedt op de navolgende wijzen:
-
1.
door het overleggen van stukken, eventueel in afschrift, door de betrokken verzekeraar of tussenpersoon.
Deze stukken kunnen onder meer betrekking hebben op:
-
correspondentie tussen verzekeraar, tussenpersoon en verzekeringnemer;
-
premiebetaling;
-
schade-dossiers;
-
de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Wet assurantiebemiddelingsbedrijf;
-
de beloning van de tussenpersoon;
-
de aanstelling en aanwezigheid van een feitelijk leider;
-
de juridische structuur van de tussenpersoon;
-
gegevens met betrekking tot het bedrijfsapparaat.
Op verzoek van de Sociaal-Economische Raad dienen stukken gewaarmerkt te worden door de daartoe bevoegde instantie.
-
-
2.
door het overleggen van een verklaring van degene die ingevolge de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 april 1984 (PbEG L 126 van 12 mei 1984) is toegelaten tot de wettelijke controle van boekhoudkundige bescheiden.
Deze verklaring kan ondermeer betrekking hebben op:
-
de resultatenrekening;
-
een portefeuille- en produktie-overzicht;
-
de beloning van de tussenpersoon;
-
het in Nederland behaalde premie-inkomen.
-
-
3.
door het verstrekken van inlichtingen of inzage in persoon ten kantore van de Sociaal-Economische Raad indien het betreft een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf.