Wet van 22 mei 1991, houdende verlaging van de verschuldigde pensioenbijdrage als bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet over de jaren 1988, 1989 en 1990, alsmede verlaging van de verschuldigde wachtgeldtijdbijdrage over het jaar 1990

Wet verlaging pensioenbijdrage Algemene burgerlijke pensioenwet over 1988, 1989 en 1990

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat als gevolg van aanmerkelijk gunstige opbrengsten uit vermogen in samenhang met gematigde pensioenaanpassingen in 1988, 1989 en 1990, alsmede het verder terugbrengen van de horizon in de Vut-financiering in 1988 en 1989, voor de jaren 1988 tot en met 1990 een relatief voordelig saldo op de staat van baten en lasten van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds ontstaat dat kan terugvloeien naar de lichamen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) over het jaar 1988 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 7,95% van de som der bijdragegrondslagen.

Artikel

2

De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) over het jaar 1989 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 9,35% van de som der bijdragegrondslagen.

Artikel

3

Artikel

4

Deze wet treedt in werking met ingang van de twintigste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1988.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Financiën, W. Kok
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin