Artikel
1
De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) over het jaar 1988 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 7,95% van de som der bijdragegrondslagen.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) over het jaar 1988 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 7,95% van de som der bijdragegrondslagen.
De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) over het jaar 1989 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 9,35% van de som der bijdragegrondslagen.
De pensioenbijdrage, bedoeld in artikel C 3, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet over het jaar 1990 wordt, behoudens vermindering uit anderen hoofde, verminderd met 8,85% van de som der bijdragegrondslagen.
In afwijking van het bepaalde in artikel C 6, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet beloopt de wachtgeldtijdbijdrage over het jaar 1990, de helft of een vierde van het ingevolge het eerste lid voor 1990 geldende percentage van de pensioenbijdrage, al naar gelang de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd voor de helft dan wel voor een vierde gedeelte als diensttijd meetelt.
Deze wet treedt in werking met ingang van de twintigste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1988.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.