Wet van 28 oktober 1991, houdende tijdelijke voorziening met betrekking tot de wettelijke minimumloonaanspraken van werknemers die gelijktijdig arbeid verrichten en onderricht ontvangen

Wet tijdelijke voorziening wettelijke minimumloonaanspraken

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van de werkloosheidsbestrijding wenselijk is een tijdelijke voorziening te treffen met betrekking tot de aanspraken op het wettelijk minimumloon van werknemers die gelijktijdig arbeid verrichten en onderricht ontvangen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

Indien in een collectieve arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke regeling een bijzondere beloningsregeling is getroffen met betrekking tot werknemers, die tijdens de overeengekomen arbeidstijd, of een gedeelte daarvan, gelijktijdig arbeid verrichten en onderricht ontvangen, overeenkomstig een schriftelijk vastgelegd en in de collectieve arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke regeling vermeld plan, is het bepaalde in hoofdstuk II van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) ten aanzien van de werknemers voor wie de beloningsregeling geldt, niet van toepassing.

Artikel

2

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. de Vries
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin