Artikel
1
Er is een Commissie Evaluatie Militair Straf- en Tuchtrecht, hierna te noemen de commissie.
Besluiten:
Er is een Commissie Evaluatie Militair Straf- en Tuchtrecht, hierna te noemen de commissie.
De commissie is als volgt samengesteld:
Prof. Mr. J. de Ruiter, oud-Minister van Justitie en van Defensie:
Mevrouw Mr. W. Sorgdrager, procureur-generaal bij het gerechtshof te Arnhem;
Mr. L. R. van der Weij, president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem;
G. L. J. Huyser, Generaal b.d. voormalig Chef Defensiestaf;
J. F. G. A. M. Maas, Luitenant-generaal. Inspecteur Generaal der Krijgsmacht;
Mr. S. W. P. C. Braunius, Kapitein ter Zee van administratie b.d. voormalig Hoofd Militair Juridische zaken bij de Marinestaf;
Prof. mr. Th. de Roos, Hoogleraar Straf- en Strafprocesrecht aan de Rijksuniversiteit Limburg. Advocaat en Procureur te Amsterdam;
Dr. S. B. Ybema, Directeur Juridische Zaken. Ministerie van Defensie;
Dr. D. W. Steenhuis, Hoofd Centrale Directie Wetenschapsbeleid en Ontwikkeling, Ministerie van Justitie.
De commissie heeft tot taak aan de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Defensie rapport uit te brengen met betrekking tot de praktijk, zoals die zich voordoet bij de toepassing van het herziene militaire straf-, strafproces- en tuchtrecht, in welk rapport de commissie conclusies uit het in onze opdracht te verrichten en door de commissie te begeleiden evaluatieonderzoek kan neerleggen en, indien de commissie daartoe aanleiding aanwezig acht, aanbevelingen op grond van deze conclusies kan doen.
Het in artikel 3 bedoelde evaluatieonderzoek zal worden verricht door een door ons aan te wijzen onderzoeksinstituut. Over de te geven onderzoeksopdracht zal de commissie worden gehoord.
Zowel de commissie als het aan te wijzen onderzoeksinstituut zijn bevoegd zich rechtstreeks te wenden tot alle autoriteiten, instanties en personen.
De niet-ambtelijke leden van de commissie ontvangen een vergoeding.
De commissie neemt bij haar werkzaamheden zodanige voorzorgen in acht, dat de persoonlijke levenssfeer van de bij het onderzoek te betrekken personen wordt gewaarborgd.
Een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn werkzaamheden ten behoeve van de commissie de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer, zal met toelichting worden geplaatst in de Staatscourant en treedt in werking op 1 juni 1992.