Besluit van 9 juni 1992, houdende regelen betreffende de samenstelling en aanduiding van benzine en de te bezigen vermeldingen

Warenwetbesluit benzine

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 6 maart 1991, VVP/P U 690231, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Overwegende, dat het, mede gelet op richtlijn 85/536/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 december 1985, betreffende de besparing van ruwe olie door het gebruik van vervangingscomponenten in benzine (PbEG L 334), laatstelijk gewijzigd door richtlijn 87/441/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (PbEG L 238), noodzakelijk is regels te stellen ten aanzien van de samenstelling van benzine;
Overwegende dat het voorts, mede ter uitvoering van enkele onderdelen van richtlijn 85/210/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lid-staten inzake het loodgehalte van benzine (PbEG L 96), laatstelijk gewijzigd door richtlijn 87/416/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (PbEG L 225), noodzakelijk is regels te stellen ten aanzien van aanduidingen betreffende ongelode superbenzine en wenselijk is regels te stellen inzake te bezigen vermeldingen inzake het octaangetal van benzine;
Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 19 december 1989, nr. 14 178/(47)5;
De Raad van State gehoord (advies van 21 augustus 1990, nr. W 13.91.0149);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 8 april 1992, VVP/P-92727, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. J. Simons
De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J. G. M. Alders
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin