Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 18 december 1991, K/BK-U-9112460;
Overwegende dat het gewenst is te bevorderen dat een adequate spreiding over het land van produktie en cultuurparticipatie van werken van beeldende kunst en vormgeving tot stand komt;
Gezien de adviezen van het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (adviezen van 15 mei 1991 respectievelijk 26 april 1991);
Gezien de brieven van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (brieven van 18 november 1991 respectievelijk 22 oktober 1991, 19 november 1991 en 13 november 1991);
Gehoord de Raad voor de Kunst (adviezen van 10 december 1990 en van 27 juni 1991);
De Raad van State gehoord (advies van 31 maart 1992, No.W13.92.0009);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 1 juni 1992, K/BK-U-925994;