Besluit van 3 september 1992, houdende Warenwetbesluit Werkwijze Adviescommissie Warenwet

Warenwetbesluit Werkwijze Adviescommissie Warenwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 5 maart 1992, VVP/L-92461, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer & Visserij;
Gezien het advies van de Adviescommissie Warenwet van 6 november 1990 (14000a/035);
De Raad van State gehoord (advies van 17 juni 1992, nr. W13.92.0121);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 20 augustus 1992, VVP/L-921909 uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§

1

Begripsomschrijvingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

§

2

Samenstelling

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

De commissie kiest uit haar leden vier vice-voorzitters en wel zodanig dat per afdeling de organisaties van consumenten en ondernemers vertegenwoordigd zijn. Ieder der vice-voorzitters treedt bij toerbeurt voor één jaar op als plaatsvervangend voorzitter van de commissie. Tevens treedt ieder der vice-voorzitters bij toerbeurt gedurende een periode van twee jaar op als plaatsvervangend voorzitter van de afdeling waarin hij zitting heeft.

Artikel

7

Artikel

8

De secretaris is voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.

Artikel

9

De samenstelling van de beide afdelingen is een afspiegeling van die van de commissie.

Artikel

10

Een subcommissie heeft als voornaamste taak het voorbereiden van adviezen.

Artikel

11

§

3

Werkwijze

Artikel

12

Artikel

13

De voorzitter, onderscheidenlijk de voorzitter van een subcommissie stelt de agenda voor de vergaderingen van de commissie, de afdelingen en de subcommissie vast na overleg met de secretaris.

Artikel

14

Indien een lid of adviseur van de commissie wenst dat enig onderwerp door de commissie, een afdeling of door een subcommissie in behandeling wordt genomen, geeft hij hiervan kennis aan de secretaris die dit onderwerp, nadat de desbetreffende voorzitter namens de commissie, afdeling of subcommissie daarmee heeft ingestemd, op de agenda plaatst.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

De voorzitter, de voorzitters van de subcommissies en de secretaris zijn gemachtigd om namens de commissie die zaken af te doen, welke naar hun oordeel niet in een vergadering behoeven te worden behandeld. De betrokken voorzitter, onderscheidenlijk de secretaris legt achteraf verantwoording af aan de commissie of aan de desbetreffende afdeling of aan de subcommissie.

Artikel

19

De secretaris voert de besluiten van de commissie, van het dagelijks bestuur en van de afdelingen uit. De secretaris stelt de aan Onze Minister uit te brengen adviezen op, welke door de voorzitter of bij ontstentenis van deze door de op dat moment fungerende vice-voorzitter en de secretaris worden ondertekend. In bepaalde door het dagelijks bestuur te bepalen gevallen kan ermee worden volstaan dat de secretaris, na overleg met de voorzitter, de adviezen ondertekent.

§

4

Overige en slotbepalingen

Artikel

20

Aan de leden van de commissie en de subcommissies, de adviseurs en deskundigen wordt een vergoeding voor reis- en verblijfkosten verleend volgens de regelen welke voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten wegens reizen voor 's Rijksdienst gelden.

Artikel

21

Artikel

22

Onze Minister regelt, gehoord de commissie, de personele bezetting en de huisvesting van het bureau van de secretaris.

Artikel

23

Telkens binnen een termijn van 4 jaar brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de commissie aan een onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen.

Artikel

24

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. J. Simons
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin