Regeling sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel

De Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken,

Besluiten:

Artikel

1

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a.
Wet:

de Wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 674);

b.
reorganisatie:

de reorganisatie van het politiebestel, bedoeld in de Wet;

c.
politieregio:

een politieregio als bedoeld in artikel 2 van de Wet;

d.
Korps landelijke politiediensten:

het korps landelijke diensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet;

e.
bevoegd gezag:

de burgemeester, bedoeld in artikel 2 van de Wet, onderscheidenlijk de Minister van Justitie, ieder voor zoveel hem betreft;

f.
ambtenaar:

de ambtenaar in de zin van het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel;

g.
reorganisatiegebied:
  • 1e.

    de organisatie-eenheden, behorende tot het Korps Rijkspolitie of tot de diensten, ressorterende onder de Directie politie van het Ministerie van Justitie, met uitzondering van het Gerechtelijk Laboratorium, het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie en de rijksrecherche van de Procureurs-Generaal;

  • 2e.

    de gemeentelijke politiekorpsen;

  • 3e.

    de door het bevoegd gezag in overleg met de Regionale Commissie onderscheidenlijk de Commissie Korps landelijke diensten, bedoeld in artikel 1 van het Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel (Stb. 1991, 675) nader aan te wijzen organisatieeenheden of onderdelen daarvan, die zullen worden ondergebracht in een politieregio of in het Korps landelijke politiediensten;

    met dien verstande dat de afzonderlijke politieregio's en het Korps landelijke politiediensten ieder een afzonderlijk reorganisatiegebied vormen:

h.
functie:
  • 1e.

    de in een organisatiebeschikking vastgelegde onderscheidenlijk vast te leggen formatieplaats waarvan de functie-inhoud is of wordt bepaald door het samenstel van werkzaamheden, zoals is of wordt vastgelegd in de voor de betreffende functie geldende functiebeschrijving;

  • 2e.

    in geval geen formele functiebeschrijving aanwezig is:

    iedere nadere taakinvulling waarover tussen de ambtenaar en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat;

i.
oorspronkelijke functie:

in beginsel de functie of het samenstel van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden, neergelegd in of afgeleid van een functiebeschrijving, die in de formatie van het korps per 1 april 1991 voorkomt, alsmede de op die datum bestaande informele functies;

j.
passende functie:

het samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar in verband met diens persoonlijkheid, persoonlijke omstandigheden en bestaande vooruitzichten redelijkerwijze kan worden opgedragen;

k.
vitale functie:

een door het bevoegd gezag als zodanig aangemerkte functie die is genoemd in de door hem op grond van artikel 6 van het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel ter uitvoering daarvan vastgestelde nadere regels;

l.
vaste functie:

functie die tot de structurele formatie van een politieregio, dan wel het Korps landelijke politiediensten, wordt gerekend;

m.
tijdelijke functie:

functie opgenomen in het personeelsplan die uiterlijk per 1 januari 1996 vervalt;

n.
personeelsplan:

het personeelsplan bedoeld in artikel 2 van het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel;

o.
bestaande vooruitzichten:

de maximum bezoldiging die behoort bij de aan de oorspronkelijke functie van de ambtenaar verbonden waardering;

p.
horizontale plaatsing:
  • 1e.

    de plaatsing van een ambtenaar in een functie waaraan hetzelfde bezoldigingsniveau is verbonden als aan zijn oorspronkelijke functie, dan wel in een functie die qua aard en niveau van werkzaamheden gelijk is aan de oorspronkelijke functie;

  • 2e.

    de plaatsing van de ambtenaar in een functie die hij reeds vóór het opstellen van de nieuwe formatie van een politieregio onderscheidenlijk het Korps landelijke politiediensten vervulde en waaraan als gevolg van de invoering van het nieuwe systeem van functiewaardering een hoger of lager bezoldigingsniveau is verbonden;

q.
negatieve verticale plaatsing:

de plaatsing van een ambtenaar in een functie, waaraan een lager bezoldigingsniveau is verbonden dan dat in zijn oorspronkelijke functie, dan wel in een functie die qua aard en niveau van werkzaamheden lichter is dan zijn oorspronkelijke functie, maar die overigens als passend kan worden aangemerkt;

r.
positieve verticale plaatsing:

de plaatsing van een ambtenaar in een functie, waaraan een hoger bezoldigingsniveau verbonden is dan dat in zijn oorspronkelijke functie, dan wel in een functie die qua aard en niveau van de werkzaamheden zwaarder is dan zijn oorspronkelijke functie.

Artikel

2

Openstelling van vacatures

Artikel

3

Ongewijzigde functie

Artikel

4

Horizontale plaatsing

Artikel

5

Negatieve verticale plaatsing

Artikel

6

Positieve verticale plaatsing

Indien een vóór de reorganisatie bestaande functie in de nieuwe organisatie in gewijzigde vorm als vaste functie terugkeert, wordt, indien daaraan een hoger bezoldigingsniveau is verbonden, dan wel de functie qua aard en niveau van de werkzaamheden zwaarder is dan zijn oorspronkelijke functie, voor zover nodig door middel van de bestaande beoordelingssystemen beoordeeld of de ambtenaar in staat kan worden geacht deze functie, zonodig na scholing, vorming, of scholing en vorming, te vervullen.

Artikel

7

Plaatsing in een tijdelijke functie

Artikel

8

Procedure vervulling resterende vacatures

Artikel

9

Wijze van oordeelsvorming

Artikel

10

Operationele werkstructuur

Artikel

11

Tijdschema

Ten behoeve van de reorganisatie wordt tijdig van te voren een tijdschema vastgesteld.

Artikel

12

Bindingstermijnen

De functiebindingstermijnen die gelden op de datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling blijven van kracht ingeval van horizontale of negatieve verticale plaatsing in een vaste functie.

Artikel

13

Plaatsingsadviescommissie

Artikel

14

Optieronde

Artikel

15

Informatie aan de plaatsingsadviescommissie

Het bevoegd gezag of een door deze aangewezen ambtenaar zendt aan de plaatsingsadviescommissie een overzicht van de ambtenaren op wie het bepaalde in artikel 3 van toepassing is, de uitkomsten van de optieronde, alsmede een overzicht van ambtenaren die moeten worden geplaatst vergezeld van de voor hun plaatsing van belang zijnde gegevens.

Artikel

16

De werkzaamheid van de plaatsingsadviescommissie

Artikel

17

Het advies van de plaatsingsadviescommissie

Artikel

18

Belangenafweging

Bij de plaatsing van ambtenaren in vaste dan wel tijdelijke functies in de nieuwe organisatiestructuur worden het persoonlijk belang en het dienstbelang zorgvuldig tegen elkaar afgewogen.

Artikel

19

De voorgenomen beslissing van het bevoegd gezag

Artikel

20

De bezwarenadviescommissie

Artikel

21

De beslissing van het bevoegd gezag

Artikel

22

Salaris bij plaatsing

Artikel

23

Slotbepaling

De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I.Dales