Garantstellingsregeling curatoren

De Staatssecretaris van Justitie
Overwegende dat het wenselijk is enige regels te stellen voor de beoordeling van de gegrondheid van verzoeken als bedoeld in de hiervoor vermelde wetsbepalingen en de grenzen waarbinnen zodanige verzoeken kunnen worden toegewezen;

Heeft besloten als volgt:

Artikel

1

Een verzoek als bedoeld in de artikelen 138, lid 10, en 248, lid 10, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt, met gebruikmaking van de als bijlage bij dit besluit behorende vragenlijst, ingediend bij de Staatssecretaris van Justitie, door tussenkomst van de rechter-commissaris die het verzoek van zijn advies voorziet.

Artikel

2

Een verzoek als bedoeld in artikel 1 wordt afgewezen indien:

  • 1.

    daaruit niet blijkt dat de boedel ontoereikend is voor het instellen van een rechtsvordering of voor het instellen van een voorafgaand onderzoek daartoe, of

  • 2.

    het niet de gronden bevat waarop het berust, of

  • 3.

    het geen beredeneerde schatting bevat van de kosten en de omvang van het onderzoek, of

  • 4.

    het onvoldoende, kennelijk onjuiste of onvolledige gegevens bevat, of

  • 5.

    daaruit blijkt dat de hoogte van de verzochte garantstelling in geen redelijke verhouding staat tot de hoogte van het, eventueel na een terzake ingesteld onderzoek, redelijkerwijs te verwachten bedrag dat door de inspanningen van de verzoeker kan worden verhaald.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Indien de procedure tot aansprakelijkstelling leidt tot baten voor de boedel dienen deze baten te worden aangewend, alvorens (verder) gebruik te maken van de verleende garantstelling, ter bestrijding van de kosten die voortvloeien uit het voortzetten van de procedure. Indien daarvan geen sprake is of, na voortzetting of beëindiging van de procedure, dient een eventueel overschot aan baten, ter delging van de debetstand op de rekening-courant te worden aangewend.

Artikel

6

Artikel

7

De Staatssecretaris van Justitie, A. Kosto